Als we de letterlijke betekenis van deze eigenschappen nemen dan is dat antropomorfisme. Dit wordt niet door de Ahl-i Sunnah geaccepteerd.
De volgende eigenschappen zijn habariyyah:
-3) `Ayn (“ogen”): 20/39
-4) Istiwa (“gezeten” ): 20/5
-5) Mardji ( “Allaahu Ta`ala’s komen”): 89/22
-6) Ityan (“Allaahu Ta`ala’s komen”): 2/210
-7) Nuzul (“nederdalen”)
In de Qur’aan en ahadith wordt vermeld over de volgende eigenschappen van Allaahu Ta`ala :
-een “hand” (yad) aan Allaahu Ta`ala toegekend: (Nederlandse uitleg): “De “hand” van Allaahu Ta`ala’s boven hun hand” (48/10),
-twee “handen” (yadday): (Nederlandse uitleg): “O,Iblis, wat heeft jou weerhouden dat je je nederwerpt voor hetgene (Adam (as) Ik geschapen heb met mijn twee “handen” (38/75),
-”ogen” (`ayn): (Nederlandse uitleg): “En wacht op het oordeel van uw Heer, want je bent in Onze “ogen” (52/48),
-”gelaat” (wadjh): (Nederlandse uitleg): “Een ieder die er op de aarde is zal vergaan, maar jouw Heers “gelaat” van majesteit en eer blijft bestaan” (55/27),
-istiwa (“gezeten”): (Nederlandse uitleg): “De Erbarmer is op de troon (`arsh) “gezeten” (20/5),
-mardji (“Allaahu Ta`ala’s komen”): (Nederlandse uitleg): “…en jouw Heer komt en de engelen in rij na rij opgesteld zijn” (89/22),
-ityan (“Allaahu Ta`ala’s komen”): (Nederlandse uitleg): “Kunnen zij dan iets anders verwachten dan dat Allaahu Ta`ala in de schaduwen van de wolken tot hen komt en ook de engelen?’ (2/210)
-en nuzul (“nederdalen”): (Nederlandse uitleg): “Na het einde van de nacht ( letterlijk: laatste derde deel van de nacht) daalt jullie Heer neder op aarde” (Bukhari en Muslim).
Maar het is niet geoorloofd dat aan Allaahu Ta`ala iets anders wordt toegekend dat wat Hij aan Zichzelf heeft toegekend in de Qur’aan of Zijn Profeet Hem heeft toegekend in zijn ahadieth.
Hoewel de eigenschappen van Allaahu Ta`ala zoals “hand” (yad), twee “handen” (yadday), “ogen” (`ayn), “gelaat” (wadjh), “gezeten” (istiwa) etc. bekend zijn, is het hoe ervan onbekend.
De bedoeling met deze eigenschappen is een begrip dat past bij Allaahu Ta`ala’s grootheid, (en niet de letterlijke betekenis ervan) want al wat toegekend wordt aan Hem is niet gelijk op iets van de geschapen dingen.
En wie gelooft dat Hij een hand etc. heeft zoals onze ledematen en onze handelingen, dan behoort hij tot degenen over wie de verbeelding heeft gezegevierd, omdat hij Allaahu Ta`ala gelijk gemaakt heeft aan Zijn schepselen, terwijl het vast staat in de rede en in de Qur’aan dat niets aan Allaahu Ta`ala gelijk is. Zoals Zijn wezen niet lijkt op het wezen van iets van de geschapen dingen, zo lijkt hetgeen tot Hem wordt herleid, niet op iets hetgeen tot die geschapen dingen wordt herleid: “… niets is Zijn gelijke…” (42/11)
Dus m.a.w. de letterlijke betekenis die wij kennen dienen niet worden te genomen maar er dient dus gezegd te worden:
”Ik geloof in die eigenschappen wat Allah openbaarde overeenkomstig de betekenis die Allah heeft gewild”
In andere woorden, de juiste, passende betekenissen zijn niet overeenkomstig de fysieke en volgens de zintuigen waarneembare betekenissen waar ilusies toe zouden leiden zoals; plaatsen, vormen, ledematen, bewegingen, zitten, kleuren, richtingen, glimlachen, lachen, en alle andere betekenissen die niet toegestaan zijn om aan Allah toe te schrijven.
De geleerden van het voorgeslacht (Salaf) hebben deze eigenschappen nooit uitgelegd of geinterpreteerd. Ze geloofden in deze eigenschappen zonder naar hoe te vragen of vergelijking te maken met iets anders.
En de meeste geleerden van het nageslacht ( Khalaf) leggen “gezeten” (istiwa) uit met: “macht”, en “hand” (yad) met: “gunstbewijs” of “macht”, en “ogen” (`ayn) met: “bewaken” en “hoeden”.
Hoewel de Khalaf op dezelfde manier in deze eigenschappen geloven als de Salaf vinden ze het noodzakelijk deze eigenschappen te interpreteren. Als die eigenschappen niet overdrachtelijk uitgelegd worden aan het gewone volk, en vervreemd van hun uitwendige betekenis, dan weten ze dat bij het gewone volk de gedachten opkomt Allaahu Ta`ala gelijkenis toe te kennen met de geschapen dingen. Beide groepen zijn het eens dat degene die Allaahu Ta`ala met de geschapen dingen gelijkmaakt dwalende is. Daarom hebben de Khalaf geleerden de rede en de overlevering gebruikt bij het vrijhouden van Allaahu Ta`ala van gelijkmaking.
In het algemeen is het zo dat de richting van de Salaf door de muslims aangehangen wordt, omdat het gezonder en beter gefundeerd is. Wat betreft de richting van de Khalaf, het is geoorloofd zich daaraan te houden ingeval van nooddwang. Dat doet zich voor wanneer er sprake is van sommige mensen dat zij, indien voor hen deze eigenschappen niet overdrachtelijk worden uitgelegd, vallen in de afgrond van de gelijkmaking van Allaahu Ta`ala aan geschapen dingen, daarom is het overdrachtelijk uitgelegd, met een passende uitleg, in bekende taal.
Bron: Geloofsleer: Islamitische monotheïsme door Drs. Ibrahim Bayrak