Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘Aqidah’ Category

•Tawhid (Islamitische monotheisme)

Tawhid (Islamitische monotheisme) De lof is aan Allaahu Ta`ala . Wij prijzen Allaahu Ta`ala en vragen Zijn hulp en vergiffenis. Wij zoeken onze toevlucht bij Allaahu Ta`ala voor al het kwade die van de shaytan (satan) en onze nafs (ego) komt. Als Allaahu Ta`ala iemand op de rechte weg leidt, is niemand in staat hem te misleiden. En als Allaahu Ta`ala iemand misleidt, is niemand in staat hem op het rechte pad te krijgen. Wij getuigen dat er geen godheid is dan Allaahu Ta`ala en wij getuigen ook dat Muhammad (sas) Zijn dienaar en Zijn Gezant is.

As-salaat (gebeden) en as-salaam (groetenis) zijn voor de laatste der Rasoel (Boodschapper) en de Nabie (profeet) van Allaahu Ta`ala, Muhammad Mustafa (sas). As Salaam aan hem die de mensheid uit de duisternis van ongeloof en onrecht heeft gehaald en As Salaam aan een ieder die zijn boodschap volgt.

Het woord “tawhîd” betekent letterlijk één maken of verenigen. In de Shari`ah (Islâmitische wetgeving) betekent het: Allâhu Ta`alau Ta`alas eenheid erkennen (monotheïsme) en geloven dat Allâhu Ta`alau Ta`ala noch deelgenoten heeft in Zijn wezen (zât), noch in Zijn eigenschappen (sifât) en noch in Zijn werken (fi`il). In de Islâm is `Ilmu-t-Tawhîd of ‘Ilmu-l `aqîdah (de wetenschap van de geloofsleer) de wetenschap die zich bezig houdt met de ongeziene zaken (ghayb) zoals Allâhu Ta`alau Ta`alas Zijn, Zijn Eenheid, Zijn Eigenschappen en Zijn Werken, profeetschap, openbaring, engelen, hiernamaals, raadsbesluit, etc. Het doel van deze wetenschap is de mensen hier op aarde en in het hiernamaals tot het eeuwige geluk te leiden. Het is het belangrijkste onderwerp in de Islâm, het omvat zelfs de gehele Islâm. Het vormt de basis en de essentie voor alle zaken in de Islâm, zoals Rasûlu’llâh (sas) gezegd heeft:” De tawhîd is het hart van alle goede dingen “. Zelfs elk twijfel over de onderwerpen van deze wetenschap kan een muslim in de afgrond van het ongeloof (kufr) brengen. Daarom hebben de ‘ulamâ'(Islamitische geleerden) door de eeuwen heen met uiterst aandacht en voorzichtigheid op dit onderwerp stilgestaan.

De essentie en het fundament van alle monotheïstische godsdiensten, dus ook van de Islâm, is het geloven in Allâhu Ta`alau Ta`ala. Dit wordt zowel door de Qur’ân als de ahadîth (e.v. hadîth: overlevering) van Rasûlu’llâh (sas) duidelijk bevestigd. Het geloven aan al de overige zuilen van het geloof (îmân), zoals het geloven aan Allâhu Ta`alau Ta`alas engelen (malâika, e.v. malak), aan Zijn Boeken (kutub, e.v. kitâb), aan Zijn Gezanten (rusul, e.v. rasûl), aan de Laatste Dag (yawmu’l akhirah) en aan de Beschikking (qadar), m.a.w. het feit dat het goede en het slechte van Allah komt, is het gevolg van het geloven aan Allah.

Tawhîdu-r- Rububiyyah en Tawhîdu-l -`Uluhiyyah

Volgens Imâm Shah Waliyullâh Dahlawî, een islamitische geleerde die in de achttiende eeuw in de voormalige India leefde, bestaat tawhîd uit vier niveaus:

1) Allâhu Ta`alau Ta`ala als “Wâdjibu’l Wudjûd ” erkennen (m.a.w. Allâhu Ta`alau Ta`alas Bestaan is alleen door Zichzelf en Hij is van niemand afhankelijk).

2) Geloven dat Allâhu Ta`alau Ta`ala de Schepper van het gehele heelal is, en van alles wat daarin is.

3) Geloven dat Allâhu Ta`alau Ta`ala alle schepselen die zich op aarde en de hemelen bevinden regelt en continueert.

Hieronder zullen we het vierde punt behandelen die Imâm Shah Waliyullâh Dahlawî, Imâm Ahmad Ibni Taymiyyah en zijn leerling Ibnu-l Qayyîm over tawhîd zeggen.

Tawhîd is volgens deze drie imâms in twee gradaties te onderscheiden:

1) Tawhîdu-r- Rububiyyah: het erkennen van Allâhu Ta`alau Ta`ala als Rabb (de Meester, de Opvoeder, de Heer van de schepping en de Instandhouder van het geschapene) en het belijden van de éne, Almachtige Rabb.

2) Tawhîdu-l -`Uluhiyyah: het belijden en dienen van Allâhu Ta`alau Ta`ala als de Enige Godheid (Ilâh) aan wie we om hulp vragen.

De eerste eenheid (tawhîdu-r- Rububiyyah) beleden ook de arabieren uit de tijdperk der onwetendheid (djahiliyyah). Maar de tweede eenheid is alleen voor de Islâm kenmerkend. Volgens Ibni Taymiyyah behoren de bovengenoemde eigenschappen aan Allâhu Ta`alau Ta`ala maar ze zijn wel twee van elkaar gescheiden termen: er is een onderscheid tussen Rabb (Heer) en Ilâh (godheid). Allâhu Ta`alau Ta`ala is de Rabb van de werelden, m.a.w. Hij is de Heer van de muslims, joden, christenen, atheïsten, alle levende en levenloze dingen; kortom de Heer van alles. Hij is tegelijkertijd ook Ilâh maar dan wel van de muslims. Immers alleen de muslims vereren en dienen Allâhu Ta`alau Ta`ala als hun Godheid (Ilâh) op de manier zoals Allâhu Ta`alau Ta`ala het werkelijk wil en de rest van de mensheid niet. Daarom moeten de muslims alles in naam van Allâhu Ta`alau Ta`ala vragen, alleen op Hem vertrouwen en Hem vrezen.

Het feit dat Allâhu Ta`alau Ta`alas dienaren alleen Hem dienen, bewijst dat Hij de Enige is die aanbeden moet worden, m.a.w. uit Tawhîdu-l `uluhiyyâh ontstaat de tawhîdu-r rububiyyah en niet andersom. In de Qur’ân worden de beide soorten tawhîds uitgebreid behandeld. We kunnen zelfs zeggen dat de gehele Qur’ân van begin tot eind om deze twee soorten tawhîds draait: de Qur’ân is één lange prediking over Allâhu Ta`alau Ta`alas Wezen (Zât), Zijn Namen (Asmâ’), Zijn Eigenschappen (Sifât) en Zijn werken (Fi’îl). De Qur’ân nodigt de mensen uit tot aanbidding van de enige godheid, die geen deelgenoten, noch overeenkomstige, noch gelijkende, noch tegengestelde, en noch tegenstander heeft, en tot de verwerping van cultus aan afgodsbeelden, zowel in de letterlijke zin van het woord als in de figuurlijke zin. Deze tawhîd wordt ook wel de “tawhîdi iradi-i talabi” genoemd.

In de Qur’ân staan de goddelijke geboden en verboden die handelen over de noodzakelijkheid Allâhu Ta`ala te gehoorzamen. Ze gaan ook over de tawhîd met dien verstande dat ze de tawhîd voltooien tot één geheel. Aan de andere kant vermeldt de Qur’ân de weldaden die Allâhu Ta`ala aan de belijders van de ware tawhîd geeft, hier op aarde en in het hiernamaals. Het vermeldt ook de vreselijke toestanden van degenen die de ware tawhîd de rug toekeren. Zowel de beloning als de bestraffing worden uitgebreid in de Qur’ân beschreven.

In de Qur’ân komen we twee soorten wetten van Allâhu Ta`ala tegen:

1) de “kawni” wetten, die overeenkomen met de zogenaamde natuurwetten. Ze komen tot stand door Zijn Rabb zijn. Aan deze wetten kan niets en niemand ontkomen en ze maken geen onderscheid tussen muslim en niet-muslim, b.v. Allâhu Ta`ala voedt zowel de muslims als de niet-muslims.

2) de “shari`” wetten (godsdienstige wetten), die tot stand komen door Zijn Ilâh (God) zijn. Deze wetten kunnen de mensen accepteren dan worden ze muslim genoemd of ze kunnen ze verwerpen dan worden ze niet-muslim (kâfir) genoemd. Als men deze wetten accepteert dan is men daaraan ook onderhevig. Dus onderscheid tussen een muslim en een niet-muslim ligt niet in het feit of men de kawni wetten van Allâhu Ta`ala accepteert dan wel verwerpt maar in de acceptatie van de shari’ wetten. Zo zijn alle levenden en levenlozen, die geen verantwoordelijkheid kunnen dragen (dus mensen en djins (“geesten”) uitgezonderd) “muslim” omdat ze zich onderwerpen aan Allâhu Ta`alas kawni wetten. Muslims onder de mensen en de djins hebben zich bovendien ook aan de shari’ wetten van Allâhu Ta`ala onderworpen terwijl de niet-muslims deze hebben ontkend.

In Qur’ân sûrat-i Yunus (10), 31 beveelt Allâhu Ta`ala de profeet de afgodsdienaars (mushrikûn) van toen en nu te vragen (i.p.v. de Arabische tekst van de onderstaande en verder te volgen ayat (verzen van de Qur’aan) geven we alleen de Nederlandse uitleg ervan):

(Nederlandse uitleg):

” Wie verzorgt jullie uit de hemel en van de aarde? . Wie is de bezitter (de schepper en de leider) van het gehoor en het gezicht? . Wie brengt het levende uit het dode voort, en het dode uit het levende? . Wie bestuurt deze zaken (schepping)?”. Dan zullen de ze (afgodsdienaars) zeggen: ” ALLAAH”. Zeg dan:” Vrezen jullie dan niet (voor Allâhu Ta`alas bestraffing)”.

In surat-il Mu’min (23), 84-89:

(Nederlandse uitleg):

” Zeg: Van wie is de aarde en alles wat daarop is, wanneer jullie het weten? . Dan zeggen zij: Van ALLAAH. Zeg dan: willen jullie dit (degene die voor de eerst maal schiep ook voor de tweede maal kan scheppen) niet bedenken? . Zeg: Wie is de Rabb (Heer) van de zeven hemelen en de Heer van de Verheven Troon (‘Arsh)? . Dan zullen ze zeggen: ” ALLAAH”. Zeg dan: ” Vrezen jullie dan niet (voor Allâhu Ta`alas bestraffing)”? . Zeg: “In wiens hand is het koninkrijk van alle dingen, wie beschermt, maar niet beschermd wordt, wanneer jullie het weten?”. Dan zullen zij zeggen: “In Allâhu Ta`ala’s (hand)”. Zeg: “Zijn jullie dan behekst? .”

De afgodsdienaars erkenden dat Allâhu Ta`ala (tegenwoordig geven de moderne afgodsdienaars andere benamingen voor de Schepper) de hemel en de aarde heeft geschapen, en de zon en de maan heeft gedwongen hun loop te volgen. Zij wisten dat hun goden niet hoorden, noch nut brachten, noch schade konden veroorzaken. Zelfs ibis (de duivel) onderwerpt zich aan de Almacht van Allâhu Ta`ala. Hij vroeg Allâhu Ta`ala om uitstel van straf tot de dag van de opstanding, en erkende dat alle macht bij Allâhu Ta`ala is.

Niettegenstaande de Arabieren (en de moderne afgodsdienaars) geloofden in Allâhu Ta`ala als Rabb (Heer en Meester der schepping), waren ze toch ongelovigen (kâfir). Alleen als ze zich onderwierpen aan de boodschappen van Rasûl’ullâh (sas) konden ze de juk van het ongeloof van zich afschudden en tot de gelukkigen behoren. In hun geloof schoten ze te kort waar het ging om de tweede gradatie van de tawhîd nl.:

2) Tawhîdu-l `Uluhiyyah: het belijden van Allâhu Ta`ala als de Enige godheid die gediend moet worden.

De Arabieren uit de tijdperk der onwetendheid dienden, afgoden, hoewel ze wisten dat Allâhu Ta`ala de Enige en de Almachtige was. Deze Arabieren dienden de “drie dochters” van Allâhu Ta`ala: al-lat, al-manat en al-‘uzzat. Zij dienden ook de engelen en wierpen zich neder voor de zon en de maan. De christelijke arabieren maakten ‘Isa (as) en Maryam (rah) tot goden. En tegenwoordig geloven de moderne afgodsdienaars in ontelbare “afgoden”. Rasûl’ullâh (sas) heeft hen en de hele mensheid na hem uit deze toestand verlost. Hij riep de mensheid tot de algehele wijding van verering aan Allâhu Ta`ala alleen (ikhlasu-l-‘ibadat-illah) en niet aan de afgoden.

Shirk-i Rububiyyah en Shirk-i-`Uluhiyyah

Het wijden van een (lichamelijk en geestelijk) vereeringshandeling aan persoon, materie, ideologie of iets anders buiten Allâhu Ta`ala, is “shirk” (afgodsdienst). Op dezelfde manier als voor de tawhîd onderscheidt Ibn-i Taymiyyah en zijn leerling Ibnu-l Qayyim twee soorten shirks n.l.:

1) Shirk-i Rububiyyah: het toekennen van deelgenoten aan Allâhu Ta`ala als Rabb (de Meester, de Opvoeder, de Heer van de schepping en de Instandhouder van het geschapene), het accepteren dat een andere almachtige wezen is met dezelfde eigenschappen en handelingen als de ene Almachtige Godheid: as-Saba’ (34/22):

(Nederlandse uitleg):

Zeg:” Roept hen (afgoden) maar aan van wie jullie beweren dat zij naast Allah bestaan. Zij hebben geen greintje heerschappij in de hemelen, noch op de aarde. Zij hebben in geen van beide een aandeel en Hij heeft onder hen geen enkele helper”.

2) Shirk-i-`Uluhiyyah: het toekennen van deelgenoten aan Allâhu Ta`ala als de Enige Godheid (Ilâh) aan wie om hulp, ‘ibadât (godsdienstoefeningen) en du’ah (smeekgebed) gevraagd wordt. In surati-l Fâtiha (1/4) wordt zo’n shirk afgewezen:

(Nederlandse uitleg):

“Alleen dienen wij U alleen van U vragen wij om hulp”.

Daar de arabieren uit de tijd van de onwetendheid afgoden dienden en vereerden, en deze als tussenpersoon tussen Allâhu Ta`ala en hen zetten, accepteerden ze deze tawhîd niet en werden “mushrikûn” (afgodsdienaars) en kâfirûn (ongelovigen) genoemd. Hetzelfde kunnen we ook zeggen van de moderne afgodsdienaars, die naast Allâhu Ta`ala ook andere afgoden dienen zoals we hieronder zullen zien. In suratuth-Thariyat (51),56 staat:

(Nederlandse uitleg):

” De djins en de mensen heb ik slechts geschapen opdat zij Mij zouden dienen”.

Allâhu Ta`ala heeft aan elk volk een gezant gezonden met de boodschap:

(Nederlandse uitleg):

” Dient Allâhu Ta`ala en vermijdt de taaghut…”(an-Nahl (16/36).

Het woord “taaghut” betekent afgoden, satan

(Nederlandse uitleg):

“Degene die geloven strijden op de weg van Allâhu Ta`ala en de genen die niet geloven strijden op de weg van de taaghut (satan). Strijdt derhalve tegen de vrienden van de satan. Waarlijk satans list is zwak” (an-Nisa’ (9/4)

Mawdudi, een Pakistaanse geleerde, geeft in zijn ” Tafhimu-l-Qur’ân de volgende betekenis aan “taaghut” (uitleg bij de 257-ste ayah van sura al-Baqarah(2/257) [(Nederlandse uitleg):

” Allâhu Ta`ala is de vriend (waliy) van de gelovigen. Hij brengt hen van de duisternis tot het licht. De vrienden van de ongelovigen is de “taaghut”. Hij brengt hen van het licht tot de duisternis. Zij zijn de bewoners van het vuur. Daarin zullen zij voor altijd blijven.”

(Samengevat): De letterlijke betekenis van het arabische woord “taaghut” is: iemand die de grens overschrijdt. Het wordt gebruikt voor iemand die in opstand komt tegen Allâhu Ta`ala en zich dwingt een slaaf te worden (van zijn eigen ego). ” In opstand komen tegen Allâhu Ta`ala” kan in drie overtredingen onderverdeeld worden:

1) Als iemand zich onderwerpt aan de Wil van Allâhu Ta`ala, maar op het punt van het verrichten van goede daden in opstand komt tegen Zijn bevelen (m.a.w. geen goede daden verricht) is een “fâsiq”.

2) Zich onafhankelijk tegenover Allâhu Ta`ala opstellen en zich onderwerpen aan een ander godheid dan Allâhu Ta`ala, is een “kâfir”.

3) Iemand die in opstand is gekomen tegen Allâhu Ta`ala en ook het doel voor ogen heeft, mensen te verhinderen i.p.v. Allâhu Ta`ala te vereren zichzelf te laten verafgoden is een “taaghut”

De taaghut kan behalve de satan, ook wereldlijke leiders (vaderlandse helden, presidenten en andere regerings functionarissen, popartiesten, koningen, sportmensen etc.), geestelijke leiders (de paus, ghuru’s en andere geestelijken), of allerlei ideologieën buiten de Islâm (democratie, socialisme, kapitalisme, fascisme, communisme, materialisme etc.) zijn.

Daarom kan men pas een werkelijke muslim worden als men al deze taaghut’s met geheel zijn hart en ziel ontkent reden dat taaghut in meervoud wordt gebruikt is: als iemand Allâhu Ta`ala ontkent zal hij de dienaar van niet één maar van vele afgoden worden, zoals we het hierboven al hebben aangegeven. Buiten de “externe” zijn er ook “interne” taaghut’s, zoals iemands ego, die een bondgenoot is van de duivel, zijn bezittingen, kinderen, vrouw/man, familieleden, vrienden, werk, volk, carrière etc. Dit alles kan taaghut voor iemand worden en hem aan hen wil verslaafd maken, zodat hij blind, doof en ongevoelig wordt voor zijn Heer en Zijn bevelen. Zo’n iemand zal zijn gehele leven lang in verbeelding doorbrengen om elk van zijn taagut tevreden te stellen. Voordat hij weet is zijn leven voor niets geweest. In het kort kunnen we zeggen dat taaghut alles omvat wat buiten Allâhu Ta`ala gediend en vereerd wordt.

(Nederlandse uitleg):

“Jullie Heer zegt:”Roept (doe du’ah tot) Mij aan en Ik zal jullie verhoren. Maar degenen die zich toch afwenden van Mijn dienst, zullen vernederd de hel binnen gaan”. (al-Mu’min (40/60).

Op vele plaatsen wordt Rasûl’ullâh (sas) en indirect zijn ‘ummah (gemeenschap) door Allâhu Ta`ala bevolen de mensheid op te roepen tot de aanbidding (`ibadah) van Allâhu Ta`ala alleen.

Alle profeten hebben deze boodschap aan hun ‘ummah gebracht, zoals Hûd (as) en Ibrâhîm (as). De joden en de christenen zijn in hetzelfde ongeloof teruggevallen als de afgoddienaars:

(Nederlandse uitleg):

” Zij maken hun rabbijnen en monniken en ‘Isa (a.s.), de zoon van Maryam (r.ah), tot Meesters (Rabb) buiten Allâhu Ta`ala, terwijl hen bevolen was de Ene Godheid te dienen. Er is geen godheid dan Allâhu Ta`ala. Verheven is Hij boven hetgeen jullie naast Hem stellen”. (at-Tawbah 9/31).

Daarom verbiedt Allâhu Ta`ala iemand anders dan Allâhu Ta`ala aan te roepen:

(Nederlandse uitleg):

” Roept niet naast Allâhu Ta`ala aan wat je geen nut kan brengen noch schaden kan. Want wanneer je dat doet, zal je tot de onrechtvaardigen behoren. Wanneer Allâhu Ta`ala je met een kwaad treft, kan slechts Hij het van je afwenden en wanneer Hij het goede met jou voor heeft is er niemand die Zijn goedheid kan beletten…”(Yunus 10/106-107). “De moskeeën zijn van Allâhu Ta`ala, roept dus niemand naast Hem aan ” (Djin 72/18). “Wie is in grotere dwaling dan hij die naast Allâhu Ta`ala iemand aanroept, die hem niet antwoorden kan op de Dag der Opstanding” (Ahqaf 46/5).

Nog in vele andere ayat van de Qur’ân verbiedt Allâhu Ta`ala iemand naast Hem aan te roepen. Ook het om hulp en bijstand vragen mag alleen aan Allâhu Ta`ala geschieden:

(Nederlandse uitleg):

“U dienen wij en U smeken wij om hulp” (al- Fatihah 1/4). ” Toen jullie hulp zochten van Jullie Heer en Hij antwoordde: “Ik zal jullie bijstaan met duizend van de engelen die elkaar opvolgen.” (al-Anfal 8/9).

Slechts aan Allâhu Ta`ala mag geofferd worden:

(Nederlandse uitleg):

“Derhalve bid tot Uw heer en breng een offer” (al-Kauthar 108/2), Zeg: “Waarlijk mijn gebed, mijn offer, mijn leven en mijn dood zijn (alle) voor Allâhu Ta`ala de Heer der werelden” (al-An’am 6/162).

Alleen voor Allâhu Ta`ala moet men zich buigen en prosterneren:

(Nederlandse uitleg):

“O gelovigen buigen jullie neder en werpen jullie ter aarde en dien jullie Heer en doe het goede, opdat jullie voorspoedig zullen gaan” (al-Hadj 22/77).

Allen bij Allâhu Ta`ala moet men toevlucht zoeken; alle menselijke gevoelens mogen slechts naar Allâhu Ta`ala uitgaan en alleen tot Hem gericht zijn. Slechts Allâhu Ta`ala mag men vrezen op Hem alleen moet men hoop vestigen:

(Nederlandse uitleg):

“Hij (de engel die Ibrâhîm (a.s.) bezocht) zei: ” En wie wanhoopt aan de genade van zijn Heer behalve de dwalenden”. (al-Hidjr 15/56).

Men is slechts een gelovige (mu’min) als men in Allâhu Ta`ala gelooft, op Hem vertrouwd, tot Hem moet men zich keren, alleen Hem mag men beminnen en alleen naar Hem verlangen.

Wa-l hamdulillaahi rabbi-l `Aalamien.

Door: Drs. Ibrahim Albayrak

Read Full Post »

•Aqidatu-t Tahâwiyyah

Aqidatu-t Tahâwiyyah

De lof is aan Allaahu Ta`ala . Wij prijzen Allaahu Ta`ala en vragen Zijn hulp en vergiffenis. Wij zoeken onze toevlucht bij Allaahu Ta`ala voor al het kwade die van de shaytan (satan) en onze nafs (ego) komt. Als Allaahu Ta`ala iemand op de rechte weg leidt, is niemand in staat hem te misleiden. En als Allaahu Ta`ala iemand misleidt, is niemand in staat hem op het rechte pad te krijgen. Wij getuigen dat er geen godheid is dan Allaahu Ta`ala en wij getuigen ook dat Muhammad (sas) Zijn dienaar en Zijn Gezant is. As-salaat (gebeden) en as-salaam (groetenis) zijn voor de laatste der Rasoel (Boodschapper) en de Nabie (profeet) van Allaahu Ta`ala, Muhammad Mustafa (sas). As Salaam aan hem die de mensheid uit de duisternis van ongeloof en onrecht heeft gehaald en As Salaam aan een ieder die zijn boodschap volgt.

In de 4-de eeuw na Hidjrah zien we vele ahl-i Sunnah wa’l Djama’ah geleerden, waaronder Abu’l Hasan-al-Ash’arî (in 323/ 936 overleden) Abû Mausûr al-Maturidî (in 333/944 overleden) en Abû Dja’far -at-Tahawî (in 321/934 overleden), die de ahl-i Sunnah aqîdah (geloofsprincipes) tegenover niet-ahl-i-Sunnah groeperingen, de zogenaamde ahl-Bid`ah (nieuwlichters) beschermden. Dit was nodig omdat de laatst genoemden de Islâm mengden met niet-islamitische meningen of de rede boven de Islâm plaatsten. Er is veel bekendheid over Imâm al Ashari en Imâm al Maturidî. Daartegen is Imâm at-Tahawî buiten Egypte niet zo bekend in de islamitische wereld. Daarom zullen we hieronder in het kort zijn leven, zijn werken, en zijn plaats onder de islamitische geleerden (‘ulamâ’) beschrijven.

Er is onenigheid over zijn geboorte datum (239,238,230 of 229). Maar volgens de laatste datum moet hij op zijn negentigste jaar overleden zijn (moge Allah’s welbehagen op hem zijn). We hebben geen duidelijke berichten dat hij inderdaad zo lang heeft geleefd.

Ten tijde van Imâm at-Tahawî was Egypte de bakermat voor de Islâmitische wetenschappen. Nadat hij door zijn vader onderwezen werd in fiqh (wetsleer) en ‘usl (methodologie) vertrok hij naar Cairo waar hij door zijn oom Imâm al- Muzani onderwezen werd. Van huis uit volgde hij de Shafi’ie school (mathhab), pas op zijn 25 of 30- ste jaar stapte hij over op de Hanafi school . Omdat hij in de tijd van de grote hadîth geleerden (muhaddithîn) leefde (Imâm Bukhârî (256/870), Muslim (261/875), Abû Dâwud (275/088), Tirmithî (279/892), Nasa’î (303/915) en Ibni Mâdja (275/886), zijn zijn werken op Qur’ân en hadîth gebaseerd en ze zijn de bronnen voor de Hanafî school geworden. Enkele van zijn werken zijn op het gebied van fiqh, `aqîdah, ‘usl, hadîth en tawsir (exegese) tot op de dag van vandaag bewaard gebleven terwijl het overgrote gedeelte ervan alleen via referenties bekend zijn. Op zijn werken zijn vele commentaren geschreven.

Hij heeft de functie van qadhi (rechter) geweigerd om zijn leven te wijden aan het schrijven van boeken en het opleiden van leerlingen. Hij is in een plaatsje in Egypte (Karafah) overleden.

Hieronder volgt de vertaling van een van zijn beroemdste `aqîdah verhandeling die bekend staat onder de titel “Aqidatu-t Tahâwiyyah”. Er zijn maar liefst dertien commentaren op dit boek geschreven. Het vormt dan ook een van de betrouwbaarste bronnen voor de Ahl-i Sunnah aqîdah. Daarom heb ik besloten dit boekje uit het Turks (“Ehli Sunnet inanc esaslari: Tahavi ve akaid risalesi” door Dr. Arif Aytekin (Seha Nesriyat, Ankara) m.b.v. de originele Arabische tekst (‘Aqidatu-l Tahâwîyyah, Istanbul) in het Nederlands te vertalen. Ik hoop dat hiermee een dienst is bewezen voor de Islâm. Hulp en succes komt alleen van Allâh de Heer der werelden.

Vertaling van de verhandeling “Aqidatu-t Tahâwiyyah”:

In naam van Allâh de Erbarmste de Barmhartigste

Lof zij aan Allâh, de Heer der werelden. De mu’mins (gelovigen) die zich distancieren van elk soort ondeugd bereiken de beste resultaten. De salâts (groetenissen) zijn aan onze heer en profeet Muhammad (sas) en aan al zijn familieleden.

Imâm Hudjdjatu-l Islâm Abû Dja’far at-Tahâwî (moge Allâh’s wel behagen op hem zijn), zegt het volgende over zijn aqîdah verhandeling:

Deze verhandeling is in overeenstemming met de mathhab (school) van Abû Hanîfah Nu’man bin Thâlib al Kuffî, (zijn leerlingen) Abû Yûsuf Ya’qûb bin Ibrâhîm al Ansârî en Abû ‘Abdullâh Muhammad bin Hasân ash Shaybânî (moge Allâh’s wel behagen met hen zijn), met hun geloof (îmân) en geloofsfundamenten, tevens is het de verklaring van Ahli Sunnah wel Djama’ah `aqîdah.

1.) Wat betreft “tawhîdilillâh” (eenheid van Allâh) en ons standvastig geloof dat Allâh ons tot succes zal leiden, zeggen wij: Allâh is “wâhid” (zowel in het oneindige verleden als toekomst is Allâh één in Zijn Wezen, Namen en Eigenschappen), en Hij heeft geen deelgenoten (lâ sharîka lahu).2.) Niets lijkt op Hem.3.) Niets kan Hem onderdanig maken.

4.) Er is geen godheid buiten Hem.

5.) Hij is het beginloze “Qadîm” (Allâh heeft geen begin), en eindeloze “Dâim” (Allâh heeft geen einde) (Zijn bestaan) is (dus) ononderbroken.

6.) Allâh’s bestaan kan op geen enkel manier eindigen of niet-zijn.

7.) Alleen Zijn wil geschiedt.

8.) Fantasieen (awhâm) kunnen Hem niet bereiken en gedachten (afhâm) kunnen Hem niet vatten.

9.) Bestaande wezens (anâm) kunnen niet op Hem lijken.

10.) Allâh is het onsterfelijke “Hayy” (Levend ), de nooit slapende “Qayyûm” (Allâh is er altijd en beschermt de geschapenen).

11.) Hij schept (de geschapenen) zonder behoefte aan deze te hebben (Khâliq: Hij schept alle dingen uit het niets en geeft hen vormen) en voorziet hen van levensonderhoud (Razzâq: Allâh geeft aan alle levende wezens hun voeding op de manier hoe Hij het wil).

12.) Allâh doodt zonder vrees (Mumît: Allâh schept de dood, zonder enige moeite ervoor te doen en Hij doet weer leven (ba’th).

13.) Allâh was al, voordat Hij (de dingen) schiep, voorzien van de eigenschap van “Qadîm” (beginloos) en (met de schepping van de dingen) is geen toename in Zijn eigenschappen opgetreden. Hij is met Zijn eigenschappen “azalî” (oneindig en continueerend) en ook “abadî” (beginloos en altijd al geweest) met Zijn eigenschappen.

14.) Allâh heeft niet de naam “Khâliq” gekregen op het moment dat Hij de mensen en alle andere dingen heeft geschapen en Hij heeft ook niet de naam “Bârî” (Schepper van de mensen en andere wezens) gekregen op het moment dat Hij ze geschapen heeft. Hij was daarvoor al “Khâliq” en “Bârî”.

15.) Allâh is voorzien van de eigenschap als “Rabb” (Heer, die laat groeien, verzorgt en opvoedt zonder iets er voor terug te vragen) Hij kan niet “marbûb” (groot gebracht, verzorgd en opgevoed) zijn. Hij is “Khâliq” maar niet “mahlûq” (later geschapen).

16.) Dus Allâh heeft niet de naam “Muhyi-l mawt” (doet de doden herleven) gekregen op het moment dat Hij de levende wezens doet herleven. Op dezelfde manier is Hij niet pas “Khâliq” op het moment dat Hij deze voor het eerst maakt, daarentegen is Allâh daarvoor al degene die de doden doet herleven en hen scheppen.

17.) Dit alles is vanwege het feit dat Allâh almachtig (Qadîr) over alles is, alles van Hem afhankelijk is en alles onder Zijn bevel is. Allâh heeft geen behoefte aan wie en wat dan ook en Allâh heeft geen gelijkenis. Hij is “Sami'” (alles ziende) en “Basîr” (alles horende).

18.) Allâh heeft alle schepsels geschapen in overeenstemming met Zijn ” ‘ilm-i azalî” (oneindige en continueerende kennis van Allâh).

19.) Allâh heeft de “qadar” (voorbeschikking) van de schepsels bepaald.

20.) Allâh heeft ook hun “adjal” (aangewezen tijd van de dood) bepaald.

21.) (Voordat de schepsels geschapen werden) was niets van hun handelingen (af’âl) aan Allâh verborgen. Allâh wist voorzeker al van te voren, voor hun schepping, alles wat ze zouden doen.

22) Daarop heeft Allâh hen bevolen Hem te gehoorzamen (ta’ah) en hen verboden ongehoorzaam (ma’siyah) aan Hem te zijn.

23) Alles komt tot stand met Zijn “qadar” (voorbeschikking) en Zijn “mashiyah” (wil en wens). (Over alles wat geschiedt) is alleen Zijn “mashiyah” geldig. Buiten Zijn “mashiyah” kunnen de dienaren geen eigen wens hebben. Datgene wat Allâh wil en wenst geschiedt en datgene wat Hij niet wil en wenst geschiedt niet.

24.) Met Zijn goedertierenheid (fadl) brengt Allâh degene die Hij wil op het rechte pad (Islâm), beschermt hem en geeft hem gezondheid. En met zijn rechtvaardigheid (‘adl) laat Hij degene die Hij wil in dwaling. Hij laat hem aan zichzelf over en beproeft hem (hier op aarde).

25.) Dit (handelen van de mens en de djins (geesten) is tussen de goedertierenheid (fadhl) en rechtvaardigheid (‘adalah) van Allâhs wil (mashiyyah).

26) Allâh is vrij van en verheven boven alles wat tegengesteld aan Hem kan zijn en gelijkenis met hem kan vertonen.

27) Er is niets dat zijn raadsbesluit (qadha’) kan verwerpen, Zijn wet (hukm) kan uitstellen en Zijn bevel (amr) kan overweldigen.

28) Wij geloven zonder enig twijfel in al deze dingen en wij zijn tot conclusie gekomen dat alles door Hem tot stand komt.

29 en 30 ) (Net als op het punt van de tawhîd (monotheisme) zeggen wij):

– Muhammad ? is Zijn uitverkoren dienaar (‘abduhu-l mustafâ)

– Hij is Zijn voortreffelijke profeet (nabihu-l mudjtabâ),

– Hij is Zijn Gezant (rasûl) , waar Hij tevreden over is (rasuluhu-l murtadhâ),

– Hij is de zegel (m.a.w.laatste) der profeten (khatamu-l anbiyâ’),

– Hij is de voorganger van degenen die zich van verre houden van het kwade (Imâmu-l Attaqija’),

– Hij is de heer der Gezanten (sayyidu-l mursalîn), en

– Hij is de geliefde van de Heer der Werelden (habibu-l Rabbil ‘âlamîn).

31.) Na zijn profeetschap zijn alle beweringen omtrent een profeetschap niets anders dan loze beweringen van mensen die op het verkeerde spoor zijn en een slaaf van hun eigen ego zijn.

32.) Hij is de profeet die gezonden is voor de gehele mensheid en de djin’s (“geesten”). Hij is de Gezant der beide werelden (rasulu-l thiqalayn) die de Haqq, Huda, Nur en Dhiya (namen van de Qur’ân die resp. de Waarheid;; de Waarheid en leidraad voor de Waarheid; het licht; het licht en de Verlichting betekenen) met zich heeft meegebracht.

33) (We zeggen) dat de Qur’ân het Woord van Allâhu Ta’ala (Kalâmu-llâh) is. Het is uit Hem, zonder dat we naar het “hoe” mogen vragen als woord gekomen. (Vervolgens) heeft Hij het aan Zijn profeet (Muhammad ? geopenbaard. (En tenslotte) hebben de mu’mins (gelovigen) het als de Waarheid bevestigd (met hun hart en hun tong). En ze zijn tot de conclusie gekomen dat ze definitief in de Qur’ân geloven als het ware Woord van Allâh (en niet in de figuurlijke betekenis van het woord maar in de letterlijke betekenis).

34.) Als iemand naar de Qur’ân luistert en zegt dat het de woorden van een mens is, valt hij in het ongeloof (kufr). Allâhu Ta’ala heeft zulke mensen verweten, hun beweringen afgekeurd en hen bedreigd met de hel (vanwege hun verkeerde geloof): (i.p.v. de Arabische tekst van de Qur’aan verzen geven we alleen de Nederlandse betekenis) “Ik werp hem in de hel” (Muddathir: 26). Over degene die over de Qur’ân zegt: “Dit is niets anders dan het woord van een sterveling” (Muddathir: 25), heeft Allâhu Ta’ala hem bedreigd met de hel en hem gerekend tot de mensen van de hel. Hieruit maken we op dat de Qur’ân het woord van de Schepper voor de mensen is en dat de woorden van de mensen nooit op de woorden van de Qur’ân kunnen lijken. Als iemand Allâh karakteriseert met menselijke eigenschappen en begrippen valt hij definitief in het ongeloof. Degene die dit realiseert zal een voorbeeld daaraan nemen en hij zal zich dan distancieren van zulke beweringen van de ongelovigen. Als resultaat zal hij begrijpen dat vanwege het feit dat Allâh eigenschappen heeft ook niet op de mens hoeft te lijken.

35.) De waarheid is dat (sommige van) de lieden van het paradijs (mu’mins) hun Heer (Rabb) zullen zien:(Nederlandse betekenis) “(Sommige) aangezichten zullen te dien dage klinkende zijn en naar hun Heer kijken “(Qiymah: 22.23). We weten niet hoe dat is en we kunnen het ook niet met woorden uitleggen. De uitleg (tafsir) van deze ‘âyât is alleen bij Allâhu Ta’ala’s Wil en Kennis. Op dezelfde manier is de betekenis van de betrouwbare overleveringen (hadîthu-s Sahîh) over dit onderwerp zoals de Profeet ? het bedoeld en gezegd heeft. Dit onderwerp kunnen we niet met ons inzicht interpreteren (ta’wil) of vermoeden. Want men staat op godsdienstige zaken pas stevig in zijn schoenen als men zich aan (de wil van) Allâhu Ta’ala en Zijn Gezant ? onderwerpt en de zaken die niet zo duidelijk voor hem zijn verwijst naar personen die het weten.

36.) Het bestaan van de Islâm is alleen mogelijk door overgave en gehoorzaamheid (aan Allâh en Zijn Profeet ?). In dat geval kan een ieder, die verlangt om verboden dingen (namelijk de zaken in de Qur’ân en de ahadieth die niet met de rede op te lossen zijn) te leren, vervolgens niet te vrede is (met zij interpretatie (ta’wîl) en zich tenslotte daarom niet overgeeft aan de dingen die heel duidelijk zijn voor hem, weerhouden worden van de pure tawhîd (monotheisme), de schone kennis en het ware geloof (îmân). Op dat moment zal hij wankelen tussen “kufr” (ongeloof) en “îmân” (geloof); tussen “tastîq” (bevestiging met het hart) en “takthîb” (verloochenen met het hart) en tussen “ikrâr” (betuigen met de tong) en “inkâr” (verloochenen met de tong) als een aarzelend, verstrooid en argwanende persoon, die noch een overtuigde mu’min noch een ontkennende leugenaar (ongelovige) is.

37.) Het is niet juist iemand te geloven die beweert dat de “ru’yat-u-llâh” (het geloof in het feit dat (sommige) lieden van het paradijs Allâh zullen zien) alleen plaats zal vinden door een denkbeeldige voorstelling of dit interpreteert (ta’wil). Want de ta’wil van zowel de “ru’yat-u-llâh”, als de betekenis die ” `Ululiyyah” (godheid zijn van Allâh ) heeft, wordt alleen bereikt door het verlaten van ta’wil en door zich vast te klampen aan de overgave aan Allâhs wil. De godsdienst, die de profeten verkondigden, rustten ook hier op (dus ta’wil vermijden en volledige overgave aan datgene dat verkondigd wordt). Als iemand zich niet hoedt tegen het ontkennen van Allâhs Eigenschappen (nafiy) en het geloven dat Allâh gelijkenis vertoont met Zijn schepsels (tashbih), dan is hij op het verkeerde pad en hij zal nooit in het “tanzîh” (Allâh geen gelijkenis toeschrijven met Zijn schepsels) geloven. Want onze Heer (Verheven zij Hij: Djalla wa ‘alâ ) is gekarakteriseerd met:

– de “Wahdâniyyah” Eigenschap (Allâhs eenheid in Zijn Wezen (Zat) (=eigenschappen die alleen Allâh heeft) en

– afhankelijk met Zijn “Fardâniyah” eigenschap (Allâhs eenheid in Zijn Werken (Fi’îl) (=eigenschappen die we ook bij andere schepsels, tot een bepaalde mate aantreffen).

Geen van de schepsels heeft een eigenschap die Hij heeft.

38.) Allâh is vrij van begrenzingen, ophouden te bestaan, onderhevig zijn aan wetten, ledematen en gebruik van instrumenten. De zes dimensies die de schepsels omgeeft, omgeeft Allâh niet.

39.) De “mirâdj” (de hemelreis) heeft echt plaats gevonden. Rasûl-lullâh (sas) heeft de “Isra'” (nachtelijkereis) gemaakt. Terwijl hij in een wakkere toestand was, is hij (zowel) lichamelijk (als geestelijk)de hemelen opgestegen. Vervolgens is hij naar bepaalde verheven plaatsen die Allâh wenste gebracht. Allâh heeft hem daar onthaald met dingen (giften) die Hij wenste en heeft aan zijn dienaar geopenbaard wat Hij openbaarde (Allâh heeft hem hier op aarde en in het hiernamaals geprezen en verheven).

40.) De “hawdh” (de naam van een rivier of een meer in het paradijs), die Allâhu Ta’ala aan de ummah (gemeenschap) van Rasûl-lullâh (sas) heeft geschonken, is waar en waarheid (haq)

41.) De shafa’ah (voorspraak), die Allâh aan de ummah van Rasûl-lullâh (sas) gereserveerd heeft en het in de ahadîth verteld wordt, is waar en waarheid.

42.) De “mithaq” (het woord die Allâh van de zielen van de nakomelingen van Adam (sas) heeft gekregen omtrent zijn Heer (Rabb) zijn) is waar en waarheid.

43.) Allâhu Ta’ala weet in het oneindige het totaal aantal mensen die naar het paradijs en die naar de hel zullen gaan. Dit getal kan noch toenemen noch afnemen.

44.) Op dezelfde manier weet Allâhu Ta’ala in het oneindige de werken, woorden en alle bewegingen van de mensen in hun geheel. Allâh geeft de mogelijkheid dat iedereen het werk kan doen dat voor hem is geschapen. De daden (‘amal) worden gewaardeerd naar de laatst verrichtte daad. De “saîd” (de gelukkige die het paradijs zal betreden) is degene die met Allâhu Ta’ala’s “qadha” (raadsbesluit) tevreden is. De ” shaqî” (de ongelukkige die de hel zal betreden) is degene tegen Allâhu Ta’ala’s qadha in opspraak komt (en niet accepteert).

45.) De grondslag van “qadar” (voorbeschikking) is het geheim (sirr) die Allâhu Ta’ala in zijn Schepping heeft verstopt. Noch de ” malak-i muqarrab” (de engel die het ” dichtst” bij Allâh en Zijn Openbaring is), noch de “nabiyyi-l mursal” (profeten die een shari’ah (wet) hebben meegekregen) zijn hierover (namelijk de sirr) geïnformeerd of op de hoogte gesteld.

Zich verdiepen in en zich verbeeldingen maken over dit onderwerp is de oorzaak van mislukking, de weg die naar dwaasheid en verdorvenheid leidt. Wees daarom gewaarschuwd en doe afstand van elk standpunt, gedachte en mening (die leiden tot de verdieping in qadar zaken).

Want Allâhu Ta’ala heeft de qadar wetenschap voor de mensen verborgen gehouden en hen verboden pogingen te ondernemen om kennis over qadar zaken op te doen, zoals Allâhu Ta’ala in Zijn Boek bevolen heeft: (Nederlandse betekenis)”Hij (Allâh) kan niet ondervraagd worden omtrent hetgeen Hij doet maar zij (schepselen: de mensen en de dijins) zullen worden ondervraagd ” (al Anbiya’23). In het geval dat iemand vraagt waarom Allâh iets zo gemaakt heeft, verwerpt het oordeel van het Boek. En degene die het oordeel van het Boek verwerpt wordt tot de ongelovigen (kafirîn) gerekend.

46.) Dit is alles wat de geliefden van Allâhu Ta’ala (awliya Allâh), wiens hart gevuld zijn met licht (nur), nodig hebben, Dit is (ook) het niveau van degenen die gespecialiseerd zijn in de wetenschap. Want wetenschap is tweelerlei; het eerste is de wetenschap die aanwezig is onder de schepsels en het andere is de wetenschap die niet aanwezig is onder de schepsels. Het ontkennen van de aanwezige wetenschap (al ilm-i mawdjûd: alle godsdienstige wetten) en het maken van aanspraak op de aanwezigheid van de verborgen wetenschap (al ‘ilm-i mafqûd: de wetenschap die alleen bij Allâh bekend is, hier is dit de qadar) is ongeloof (kufr). Het geloof (îmân) is alleen mogelijk door het accepteren van al- ilm-i mawdjûd en door het verlaten van al-ilm-i mafqûd.

47.) Wij geloven in de “lawh” (“de plaats” waar qadar wordt geschreven), in de “qalam” (“de pen” die de qadar schrijft) en alles wat in “lawh” is opgeschreven. Als alle schepsels bij elkaar zouden komen en ze zouden proberen datgene wat Allâh heeft opgeschreven, dat zou moeten plaatsvinden, tegen te houden dan zou hen dat nimmer lukken. Hetzelfde geldt ook voor datgene wat Allâh heeft opgeschreven, dat niet zou mogen plaatsvinden. Het zou de schepsels allen tezamen nimmer lukken dit wel te laten gebeuren, als ze het zouden proberen te doen.

Alles wat tot de Dag des Oordeels (yawmu-l qiyamah) zal gebeuren heeft de qalam opgeschreven en voltooid. Iets dat de dienaar niet zal overkomen, zal hem dat ook niet treffen. Iets dat hem zal overkomen zal hem dan ook treffen.

48.) Wat betreft de dienaar, hij moet weten, dat alles wat ontstaat t.g.v. de schepsels, Allâhs kennis voor gaat. (De dienaar behoort te weten dat Allâh deze kennis) met Zijn Wil (mashiyah) op een vaste (muhkam) en onvermijdelijke (mubram) manier heeft voorbeschikt. Deze (voorbeschikking die op Zijn eeuwige kennis gebaseerd is) kan nooit door de schepsels, hier op aarde of in het hiernamaals, vertraagt, verwijderd, ongedaan gemaakt, afgenomen of toegenomen worden. Deze (houding van de dienaar) is vanwege de afspraak die hij betreffende zijn geloof heeft gemaakt (îmân), en door zijn kennis die hij over de fundamenten van de godsdienst heeft, door zijn belijdenis die hij in Allâhs Rububiyyah (Allâhs Rabb zijn) heeft en vanwege zijn tawhîd eigenschappen. Vandaar dat Allâhu Ta’ala het volgende zegt in de Qur’ân: (Nederlandse betekenis ):

“Hij heeft elk ding geschapen en daarvoor een maat bepaald” (Furqan/2) en

“Allâhs gebod is een Raadsbesluit (qadar) dat besloten is ” (Ahzab/38).

O wee degene die zich in qadar zaken vijandig opstelt tegenover Allâhu Ta’ala en zijn zieke hart als fundament voorbereid om zijn mening te ondersteunen. Zo’n iemand heeft met zijn illusies betreffende het onderzoek naar het ongeziene wetenschap (hier wordt qadar bedoeld) gebruikt, zich toegelegd op het verborgen geheim (sirr) (van Allâh) en door zijn gedachten heeft hij openbaar gemaakt. Hij heeft een lelijke lastering begaan. Door het verklaren van zijn gedachten is hij hetzelfde als een leugenaar die lastert.

49.) (Zoals Allâh het in de Qur’ân bericht heeft) is “Arsh” en “Kursi” de waarheid (haqq). Allâh, die Verheven is, heeft geen behoefte aan de Arsh of wat lager daaraan is. Allâh heeft alles inclusief de Arsh, die boven alles zit, “omgeven” (fawqa). Het woord “omgeven” is de interpretatie van het woord dat Allâh in de Qur’ân als “fawqa” gebruikt). Allâh heeft met Zijn ” fawka” de schepsels insolvent (a’djiz) gemaakt.

50.) Wij zeggen vanwege ons îmân (geloof) , (die gevormd wordt door) bevestiging met het hart (tastîq) en overgave (aan Allâhs wil) (taslîm), dat Allâhu Ta’ala Ibrâhîm (a.s) als vriend (Khalîl) heeft genomen en met Musâ (a.s) heeft gesproken.

51.) Wij geloven is de engelen (malâikah), de profeten (nabiyyîn) en de Boeken (kutub) die aan de gezanten (mursalîn) zijn geopenbaard en wij betuigen dat (de komst van) de profeten op klaarheldere waarheid (haqqa-l mubîn) berust.

52.) Ahl-i Qiblah (de mensen die in de richting van de Qiblah de salât verrichten) beschouwen we als muslim en mu’min zolang ze alles bevestigen wat de Profeet (sas) (van Allâh) heeft gebracht (de Qur’ân), zelf heeft gezegd en van hem is bericht (ahadîth).

53.) Wij speculeren niet (over zaken die) over Allâh gaan. En wij discussiëren ook niet over Zijn godsdienst (Islâm).

54.) Wij bestrijden elkaar niet over de Qur’ân. Wij weten dat de Qur’ân het Woord van de Heer der Werelden is. Hij heeft het aan Ruhu-l amîn (Djabrâil (a.s) nedergezonden en aan de Heer der Profeten (Muhammad (sas) geleerd. Verder weten we ook dat Allâhs Woord geen enkel gelijkenis vertoont met de woorden van de geschapenen. Wij geloven niet dat de Qur’ân geschapen is en op dit punt opponeren we de muslim gemeenschap (ahl-i Sunnah wal Djama’ah) niet.

55.) Zolang de ahl-i Qiblah een zonde (ithm) niet als iets dat toegestaan (halâl) is accepteert, behoren zij niet tot de ongelovige (vanwege welke zonde die ze ook begaan).

56.) Wij zeggen niet: “Zolang iemand îmân (geloof) heeft, zal geen van de zonden (inclusief kufr) hem schaden.”

57.) Wij hopen dat degene onder de mu’mins, die goede daden verrichten, door Allâh zullen worden vergeven en vanwege Zijn Barmhartigheid (Rahman) hen in het paradijs (djannah) zal toelaten. Wij hebben geen enkel zekerheid dat ze stellig vergeven zullen worden. En wij getuigen ook niet dat ze (direct) in het paradijs zullen toegelaten worden. Wij smeken om vergiffenis voor de zondaren en vrezen voor hun gevolg maar we geven de hoop voor hen niet op.

58.) Iemand die (vanwege zijn goede daden) zekerheid (amîn) heeft (in het paradijs te komen) en iemand die de hoop (ya’s) (op Allâhs barmhartigheid) opgeven heeft en daarin gelooft, zijn beiden verre van de (Islâmitische) gemeenschap (m.a.w. ze vallen beide in ongeloof). De juiste weg van Ahl-i Qiblah ligt tussen (amin en ya’s).

59.) Een dienaar kan pas zijn geloof verliezen, als hij de godsdienstige zaken ontkent, die hem buiten de grenzen van het geloof brengen.

60.) Het geloof (îmân) bestaat uit het betuigen met de tong (iqrâr) en het bevestigen met het hart (tasdîq) (van de geloofspincipes).

61.) Alles wat Allâhu Ta’ala in de Qur’ân heeft geopenbaard, en alles wat van Rasûl-lullâh (sas) als betrouwbaar (sahîh) is doorgegeven, die samen de Shari’ah (canonieke wet van de Islâm) en de godsdienst (bayan) vormen, zijn beide de waarheid.

62.) Îmân is één; een ieder die îmân heeft (in de Islâm gelooft), is (in de grondbeginselen van de îmân) gelijk aan elkaar. De voortreffelijkheid onder de muslims is (alleen) vanwege hun angst (in opstand te komen tegen Allâh) (khâshiyah), devotie (taqwâ’), vermijding van hun lust gevoelens (hawâ’) en vastklamming aan de essentiële dingen (van de islam).

63.) Alle mu’mins zijn Rahmâns (Allâhs) vriend (awliyâ ar-rahmân). De eminente onder jullie zijn degenen die gehoorzaam zijn aan Allâh en de Qur’ân volgen.

64.) De (zuilen van de) îmân zijn: geloven in Allâh, in Zijn engelen, in Zijn Boeken, in Zijn profeten, in de laatste Dag (yawmi-l akhira), in de opstanding uit de dood (ba’th) en de Beschikking (qadar), m.a.w dat het goede en het kwade, het bittere en het zoete van Allâhu Ta’ala komt.

65.) Wij geloven in dit alles en wij maken geen onderscheid tussen Zijn gezanten. Alles wat zij van Hem hebben gebracht bevestigen wij.

66.) Degenen onder de gemeenschap van Muhammad (sas), die grote zonden (kabâir) hebben begaan, zullen niet voor altijd in de hel (nâr) blijven, al hebben ze geen berouw (voor hun zonden) getoond. Dit geldt alleen als ze îmân hebben gedaan en Allâh als hun godheid (ilâh) hebben erkend en met deze tawhîd geloof gestorven zijn. Ze zijn afhankelijk van Allâhs Wil (mâshiah) en Oordeel (hukm). Als Hij wil kan Hij met Zijn goedertierenheid (fadhl) hen vergeven en hun zonden kwijtschelden, zoals het in Zijn Boek vermeld staat:(Nederlandse betekenis) “Waarlijk Allâh vergeeft het verenigen van andere godheden met hem (shirk) niet, en vergeeft wat behalve dat aan wie Hij wil…”

(Nisa’4/48). Als Hij wil kan Hij hen met Zijn rechtvaardigheid (‘adl) in de hel straffen. Vervolgens kan hij hen met Zijn Barmhartigheid (Rahmah) en met de voorspraak (shafa’ah) van (aan Allâh) gehoorzamende bemiddelaars, uit de hel verlossen en hen in het paradijs opnemen. Allâhs behandeling (van de grote zondaars) is vanwege het feit dat Hij de vriend is van degenen die Hem (als hun godheid) erkennen. Hij stelt deze dienaren (grote zondaars onder de muslims) niet gelijk aan degenen die Allâhs “hidayah” (weg van de Islâm) hebben kwijtgeraakt en niet in aanmerking wilden komen voor Zijn vriendschap. O, Allâh de Heerser en vriend van de Islâm en zijn volgelingen (muslims) maak ons standvastig in de Islâm totdat we U ontmoeten !.

67.) Het verrichten van de salât achter (elk lid van de) Ahl-i Qiblah, al is hij een goede (birr) of een slechte (fâdjir) (voorganger) en het verrichten van de doodssalât over hen vinden wij toegestaan.

68.) Wij wensen geen van hen (Ahl-i Qiblah) het paradijs noch de hel toe. Wij getuigen niet dat ze ongelovig (kâfir), polytheist (mushrik) of huichelaar (munâfiq) zijn geworden, zolang ze geen deelgenoten aan Allâh toekennen (shirk), geen zaken doen die leiden tot ongeloof (kufr) of geen huichelarij (nifâq) verrichten. Wij verwijzen hun verborgenheden naar Allâhu Ta’ala.

69.) Wij vinden het niet toegestaan dat het zwaard getrokken wordt tegen één van de leden van de Gemeenschap van Muhammad (s.a.s)(om te doden), behalve degene die het zwaard (doodstraf) verdient.

70.) Wij zullen niet in opstand komen tegen onze imâms (khalifah) die onze (Islâmitische) staat regeren en ook niet tegen onze (mu’min) bestuurders, die onze zaken runnen, al doen ze ons onrecht aan. Wij zullen niet vijandig zijn tegen hen en wij zullen niet nalaten hen te gehoorzamen. Wij vinden het verplicht hen te gehoorzamen, alsof we Allâh, die Verheven is, gehoorzamen. (dat doen we) zolang ze ons niet het slechte aanbevelen. Wij bidden (du’ah) tot Allâh dat ze goed en beter mogen worden.

71.) Wij volgen de sunnah en de (ahl-i Sunnah wa’l Djaina’ah) gemeenschap en wij houden ons verre van deviatie, verdeeldheid en sekte vorming.

72.) Wij houden van rechtvaardige, eerlijke en betrouwbare mensen en wij haten onrechtvaardige, oneerlijke en onbetrouwbare mensen die ons vertrouwen misbruiken.

73.) Over onderwerpen die moeilijk zijn of waar we onmogelijk uit kunnen komen, zeggen wij: ” Allâh weet het best (Allâhu a’lam) (en geloven zoals het er staat)”.

74.) Wij vinden het juist dat tijdens het reizen of het verblijf in het woongebied, (i.p.v. de voeten geheel te wassen) met natte handen over ledere sokken gestreken kan worden.

75.) De bedevaart (Hadj) en de “djihâd” (strijd op weg van Allâh) zijn twee verplichtingen die tot de Dag des Oordeels continu zal worden verricht. Het gebeurt onder leiding van “ulu-l amr” (mu’min regeerders van de muslim gemeenschap), het doet er niet toe of ze (‘ulu-l amr) goed of slecht zijn. Deze twee verplichtingen kunnen noch afgeschaft noch gereformeerd worden.

76.) Wij geloven dat de “kirama-l kâtibîn” (engelen) door Allâh aangesteld zijn om ons te beschermen (en op te schrijven wat we doen).

77.) Wij geloven in de “malaku-l mawt” (doods engel) die aangesteld is de zielen (rûh, m.v.: arwâh) van alle levende wezens te nemen.

78.) Wij geloven in de bestraffing (‘athâb) en beloning (na’imah) (van de gestorvenen) in het graf(sleven) van degenen die het verdiend hebben. En we geloven ook in de “munkar” en “nakir” engelen, die in het graf naar iemands Rabb, din (godsdienst) en nabi (profeet) zullen vragen. Dit hebben we vernomen van de berichten afkomstig van Rasûl-lullâhs (sas) ahadîth en van zijn ashab (r.a.).

79.) (Als een overledene in zijn) graf (qabr) (wordt gelegd) wordt (het) of een tuin onder de tuinen van het paradijs of een kuil onder de kuilen van de hel.

80.) Wij geloven in:

– de wederopstand na de dood (ba’th),

– de bestraffing t.g.v. de (slechte) daden,

– de Dag des Oordeels

– de ondervraging en de vereffening van de daden (die hier op aarde zijn verricht),

– het Boek (waarin de daden zijn genoteerd) dat gelezen zal worden,

– de beloning (thawâb),

– de bestraffing (‘uqâb) die uitgedeeld zal worden,

– de “sirât” (“de brug” die gespannen is over de hel)

– en de “mîzân” (“de weegschaal”die de daden (goede en slechte) zal wegen).

81.) De djannah (paradijs) en de nâr (hel) zijn later geschapen (mahlûq) en ze zullen nooit eindigen of niet- zijn. Allâhu Ta’ala heeft de djannah en de nâr geschapen voordat Hij de schepselen (khalq) schiep. Hij schiep daarna hun bewoners. Hij kan met zijn goedertierenheid degenen naar de djannah sturen, die Hij wil en met Zijn rechtvaardigheid kan Hij degenen in de hel stoppen, die Hij wil. Trouwens, ieder mens zal de werken verrichten die voor hem is bestemd waarmee hij de djannah of de nâr heeft verdiend. Het goede (khayr) en het kwade (shar) zijn (van te voren) voor de schepping al voorbestemd en voorgeschreven (muqaddar). (m.a.w. een mens kan alleen datgene verrichten dat door Allâh is voorbestemd en bepaald maar in geen van beiden kan hij door Allâh gedwongen worden het te verrichten.)

82.) De istita’ah (kracht en vermogen) die noodzakelijk is bij het tot stand komen van een fi’il (actie, handeling) is samen met die fi’il.

(Met andere woorden een mens heeft het vermogen en kracht de handeling te verrichten voordat hij het kan verrichten. Zonder dit vermogen en kracht zou hij hiertoe niet in staat kunnen zijn. Een mens wordt verantwoordelijk gesteld voor de daden die hij verricht, omdat hij de istita’ah heeft gekregen van Allâh, voordat hij de fi’il (daad) kan verrichten. Daarom is de mens (en de djin) verantwoordelijk voor het volbrengen van Allâh’s geboden en verboden. We zagen al hierboven dat het onderzoeken naar qadar zaken hetzelfde is als het onderzoeken naar de verborgen geheimen (sirr) van Allâh. Dit leidt naar een doodlopende weg en dwaling. Degene die meent dat hij de qadar wetenschap heeft doorgrond en beheerst valt in ongeloof. Dus wat moet een dienaar dan doen wat betreft de qadar (sas). Allâh zegt dat er heel weinig over de qadar wetenschap aan de mensen is gegeven, daarom moet een mu’min een weg volgen dat tussen hoop en angst is of tussen zekerheid en wanhoop is. Onder invloed van twee afstotende gedachtes moet een mu’min goede daden verrichten. Immers, de mens zal verantwoordelijk moeten zijn voor datgene wat in zijn vermogen ligt te kunnen doen).

Uit het oogpunt op het definitieve succes van de desbetreffende zaak, kan deze istita’ah bij het tot stand komen van een fi’il niet aan de geschapenen toegeschreven worden. Maar met betrekking tot “sihhah” (gezondheid), vermogen, voor de fi’il geschikte omstandigheid en gezondheid van de organen is de istita’ah voor de fi’il aanwezig. De vermelding (in de Qur’ân), die een persoon aan zijn verantwoordelijkheden herinnert, is hieraan verbonden. Vandaar dat Allâhu Ta’ala zegt:(Nederlandse betekenis) “Allâh legt niemand een plicht op behalve zoveel zijn vermogen het hem toestaat.” (Baqarah 2/286)

83.) Allâh schept de handelingen (af’âl) van de dienaren, en de dienaren verdienen het.

84.) Allâhu Ta’ala legt alleen een plicht op zoveel het vermogen van de dienaren aankan. En zij kunnen alleen die plichten aan die Hij hen aanbiedt. Dat is de uitleg van: “Lâ hawla wa lâ quwwata illâ billâh.” (het vermogen en de macht is alleen bij Allâh). Wij zeggen: “Als iemand zich beschermt tegen het in opstand komen tegen Allâh, heeft hij noch het vermogen, noch de impuls en noch een uitweg (dit te doen) behalve met de hulp van Allâh (ta’at Allâh). De gehoorzaamheid aan Allâh en de continuering in Zijn gehoorzaamheid kan ook alleen met Zijn toestemming tot succes leiden (tawfiqa’llah).

85.) Alles komt tot stand door:

– Allâhs wil (mashi’ah),

– Zijn kennis (‘ilm),

– Zijn raadsbesluit (qadha) en

– Zijn voorbeschikking (qadar) .

Allâhs wens (mashi’ah) overtreft alle andere wensen.

Zijn qadha overtreft alle andere listen. Allâh doet wat Hij wil en is nooit en te nimmer (abadan) onrechtvaardig (zâlim). Hij is vrij van alle slechtheden en onrechtvaardigheden, schande (ayb) en schaamte (shain):(Nederlandse betekenis) “Hij kan niet ondervraagd worden omtrent hetgeen Hij doet doch zij (de dienaren) zullen worden ondervraagd (omtrent hetgeen zij doen) “.(Anbiya/23).

86.) De gebeden (du’a) die de levenden doen en de aalmoezen (sadaqah) (die ze geven), zullen baat hebben voor hun overledenen.

87) Allâhu Ta’ala (verhoort en) beantwoordt de gebeden (da’wât) en voorziet de behoeften (van ieder).

88.) Allâh is de bezitter van alles. Daarentegen kan niets Hem bezitten. Niets kan onafhankelijk van Hem worden, zelfs niet in een fractie van tijd bij het knipperen van een oog. (Als iemand gelooft dat het mogelijk is) dat men binnen een fractie van een seconde onafhankelijk van Allâh kan zijn, vervalt men in ongeloof en behoort men tot degenen die in schade leven.

89.) Allâhu Ta’ala kan boos (yaghdhabu) en tevreden (yardha) worden. Maar deze lijken niet op die van de mens.

90.) Wij houden van de Metgezellen (ashab) van Rasûl-lullâh (sas) Wij keren noch onze rug naar één van hen toe, noch gaan wij te ver in onze liefde voor één van hen. Wij haten degenen die hen haten en dingen tegen hen zeggen die buiten het goede valt. Wij gedenken hen alleen met het goede. Ons liefde voor hen behoort tot onze godsdienst (dîn), geloof (îmân) en oprechtheid in het geloof (ihsân). Haat tegen hen is ongeloof (m.a.w. ongelovig zeggen tegen eminente sahaba) huichelarij (nifâq) en opstandigheid (tughyân).

91.) Wij accepteren en zeggen dan ook dat na Rasûl-lullâh (s.a.s.), Abu Bakr as Siddîq (r.a) het khalifaatschap bekleedde en dat hij de voortreffelijkste en vooraanstaande persoon is onder de gemeenschap van Muhammad (s.a.s), vervolgen hebben `Umar ibn-i Khattab (r.a), `Uthman ibn-i ‘Affan (r.a) en tenslotte `Ali ibn-i Talib (r.a) de khalifaatschap bekleed. Zij worden de Khalifâ-i Râshidûn (de rechtgeleide khaliefen) genoemd en zij waren de imâms die de mensen naar het rechte pad en verlossing hebben geleid.

92) Wij getuigen dat (onder andere) tien metgezellen (sahâba) door Rasûl-lullâh (s.a.s) met de djannah (paradijs) gelukzaligd zijn (tijdens hun leven) en ze zullen met Rasûl-lullâhs getuigenis de djannah binnentreden. Rasûl-lullâhs woord is de waarheid. Deze tien metgezellen zijn: Abu Bakr, `Umar, `Uthman, `Ali, Talha, Zubayr, Sa`ad, Sa`id,`Abdurrahman bin Awf en `Ubaydah bin al-Djarrah (radiy’allahu alayhim adjma`în: moge Allah tevreden zijn met hen allen).

93) Degenen die alleen goede dingen zeggen over Rasûl-lullâhs metgezellen, zijn reine echtgenoten (azwâdja-i tâhirât) en zijn nageslacht, heeft zich gedistantieerd van huichelarij (nifâq).

94) Wij zeggen niets anders dan goede dingen over de sahâba, tabi’ûn (de metgezellen van de sahâba), degenen die na hen kwamen die oprecht waren en (goede) werken achterlieten, de fuqaha (wetgeleerden) en de redenaars (nadhâr onder de salaf (voorgeslacht) geleerden. Degenen die slechte dingen over hen zeggen, zijn van het rechte pad afgedwaald.

95) Wij verheffen geen van de ‘awliyâ’ (letterlijk: de vrienden van Allâh, in de volkstaal: zeer vrome mu’mins) boven geen van de profeten. Volgens ons is één van de profeten voortreffelijker dan welke ‘awliyâ’ dan ook. Wij geloven in de wonderen (karamât) van de ‘awliyâ’ en de berichten, die door betrouwbare overleveraars zijn overleverd, over hen (en hun wonderen) accepteren wij ook.

96) Wij geloven in de verschijning van de Dadjdjal (anti-christ), de nederdaling van ‘Isâ (a.s) als de tekenen van het Uur. Wij geloven ook in de opkomst van de zon vanuit het westen en de opstanding van Dabbatu-l `Ard (een soort dier dat uit aarde zal opstaan en tot de mensen zal spreken) (als de grote tekenen van het Uur).

(De resterende grote tekenen van het Uur zijn o.a.:

– de gehele aarde zal door rook omhuld worden,

– een volk, dat Yadjudj en Madjudj genoemd wordt, zal dood en verderf op aarde zaaien,

– aardverzakkingen in het westen, in het oosten en op het Arabische schiereiland zullen plaatsvinden

– er zal een groot vuur in Yemen ontstaan.)

97) Wij bevestigen noch de waarzeggers, noch de astrologen en noch degenen die buiten het Boek, de Sunnah en de idjma’a-ummah (consensus van de geleerden in de gemeenschap) iets beweren (en in strijd zijn met deze drie bronnen).

98) Wij zien eenheid en saamhorigheid als de waarheid (haqq) en goedheid (sawab) ; verdeeldheid zien wij als dwaling en bestraffing.

99) Hier op aarde en in de hemelen is Allâhs godsdienst één en dat is de godsdienst Islâm. Allâhu Ta’ala zegt (Nederlandse betekenis):” Waarlijk de (ware) godsdienst bij Allâh is de Islâm” (al-i Imrân:19) en ” En voor jullie is de Islâm als godsdienst gekozen” (Mâidah: 3)

100) De Islâm is een middenweg tussen overmaat (ghubu) en deficiëntie (taqsîr) (in het nakomen van godsdienstige verplichtingen); tussen tashbîh (anthropomorfisme in het Wezen en eigenschappen van Allâh) en ta’dîl (alle eigenschappen van Allâh ontkennen); tussen djabr (mens heeft helemaal geen invloed op het verrichten van zijn handelingen n.l. fatalisme) en qadar (de mens heeft al zijn handelingen in zijn hand, hij is zelf de schepper van zijn eigen daden, m.a.w. de qadar wordt verworpen); tussen ‘amn (zekerheid) en ya’s (wanhoop) (op Allâhs oordeel).

101) Dit geheel is onze godsdienst (dîn) en geloofsleer (i’tiqâd) in al zijn openheid (dhâhira) en verborgenheid (bâtina). Wij zijn verre van degenen die in tegenspraak zijn met de geloofsprincipes die we hierboven hebben beschreven. Wij wensen van Allâhu Ta’ala dat Hij ons continueert in de Islâm, onze laatste adem uit laat blazen met de Islâm, ons weerhoudt van onze slechte begeertes en van onjuiste ideeën van: Mushabbih (sekte die tashbih geloofsgedachte aanhangt), Mu’tazilah (sekte die ta’dil geloofsgedachte aanhangt), Djamiyyah, Djabriyyah (sectes die djabr geloofsgedachte aanhangen), Qadariyyah (sekte die qadar geloofsgedachte aanhangt) en alle andere sectes, die nieuwlichterij (bid`ah) (in geloofsprincipes) hebben geïntroduceerd en van het rechte pad afgedwaald zijn . Ze hebben tegen de Ahl-i Sunnah geopponeerd. Wij zijn verre van hen (en hun ideeën). Volgens ons zijn zij in dwaling (dhalala) en ze zijn schadelijk (radiya) (met hun ideeën).

Preventie (‘ismah) (tegen onwetenden) en succes (tawfiq) (op de waarheid) komt alleen van Allâh.

Wal hamdulillahi rabbil ‘alamin (lof is aan Allah, de Heer der heelal).

Door: Drs. Ibrahim Albayrak

Read Full Post »

Inleiding
De lof is aan Allaahu Ta`ala . Wij prijzen Allaahu Ta`ala en vragen Zijn hulp en vergiffenis. Wij zoeken onze toevlucht bij Allaahu Ta`ala voor al het kwade die van de shaytan (satan) en van onze nafs (ego) komt. Als Allaahu Ta`ala iemand op de rechte weg leidt, is niemand in staat hem mis te leiden. En als Allaahu Ta`ala iemand misleidt, is niemand in staat hem op het rechte pad te krijgen. Wij getuigen dat er geen godheid is dan Allaahu Ta`ala en wij getuigen ook dat Muhammad (sas) Zijn dienaar en Zijn Gezant is.
As-salaat (gebeden) en as-salaam (groetenis) zijn voor de laatste der Rasoel (Boodschapper) en de Nabie (profeet) van Allaahu Ta`ala, Muhammad Mustafa (sas). As Salaam aan hem die de mensheid uit de duisternis van ongeloof en onrecht heeft gehaald en As Salaam aan een ieder die zijn boodschap volgt.
Hieronder volgt de vertaling van de geloofsverhandeling van Imam Abu Hanifa (ra), die bekend staat als ” Fiqhu-l akbar” (de grootste rechtsleer). In deze verhandeling wordt de Islamitische geloofsleer beknopt uiteengezet. Dit werkje is vertaald m.b.v. de originele Arabische tekst en enkele Turkse vertalingen.
In naam van Allâh de Erbarmste de Barmhartigste

Fiqhu’l akbar
1) TAWHID (MONOTHEISME) EN ÎMAN (GELOOF).
Het fundament van de tawhîd (het verkondigen van Allâhu Ta`alâ’s eenheid in Zijn Wezen, Namen en Eigenschappen) en de enige juiste manier om daarin (standvastig en zonder twijfel) te geloven, bestaat uit het zeggen van de volgende verplichte geloofsbelijdenis: “Ik geloof in:
– Allah
– Zijn engelen (malaika, e.v. malak)
– Zijn Boeken (kutub, e.v. kitab)
– Zijn Gezanten (rusul, e.v. rasul)
– de wederopstand na de dood (al ba`thu ba`da’l mawt)
– de voorbeschikking (qadar), m.a.w. dat het goede (khayr) en het kwade (shar) door Allâhu Ta`alâ voorbeschikt is.
– de afrekening (hasâb)
– de weegschaal (mizân)
– het paradijs (djannah)
– de hel (nâr)
(Verder geloof ik ook) dat al deze dingen op waarheid berust en werkelijkheid (haqq) is”.

2) ÎMAN IN ALLAHU TA`ALA.

Allâhu Ta`alâ is één (wâhid), niet in de zin van hoeveelheid, maar in de zin dat Hij geen deelgenoten (sharîk) heeft.
(i.p.v. de Arabische tekst van de onderstaande en verder te volgen ayat (verzen van de Qur’aan) geven we alleen de Nederlandse uitleg ervan): (Qur’ân 112/1-4)
“Zeg: Hij is één (ahad).
Allah is samad (alles is van Hem afhankelijk).
Niet is Hij voortgebracht, noch heeft Hij voortgebracht.
En niemand is aan Hem gelijkwaardig”.
Hij lijkt op geen van de geschapenen (al ashyâi min khalq) en geen van de geschapenen lijkt op Hem. Hij is (begin- en) eindeloos en zal (begin- en) eindeloos zijn met Zijn namen (asma’) en Zijn eigenschappen (sifât) die zowel bij Zijn wezen (dhatiyyah) als bij Zijn werken (fi`liyyah) behoren.
Allâhu Ta`alâ’s eigenschappen die bij Zijn dhatiyyah behoren zijn:
– hayat (leven)
– qudrah (macht)
– ‘ilm (kennis)
– kalam (spreken)
– sami` (zien)
– basar (horen)
– iradah (wil)
Allâhu Ta`alâ’s eigenschappen die bij zijn fi`liyyah behoren zijn:
– takhlîq (scheppen)
– tarzîq (onderhouden)
– inshâ` (produceren)
– ibdâ` (vernieuwen)
– sun` (creatief zijn)
– en andere eigenschappen die betrekking hebben op Zijn werken.
Allâhu Ta`alâ is eindeloos en zal (begin- en) eindeloos blijven met Zijn namen en Zijn eigenschappen. Geen van Zijn namen en eigenschappen zijn later ontstaan.
– Allâhu Ta`alâ weet in het oneindige krachtens Zijn eigenschap `ilm. Zijn `ilm eigenschap heeft Hij al in het oneindige (sifat’i fi’l azalî).
– Allâhu Ta`alâ is almachtig krachtens Zijn eigenschap qudrah eigenschap. Zijn qudrah eigenschap heeft Hij al in het oneindige.
– Allâhu Ta`alâ spreekt krachtens Zijn kalam eigenschap. Zijn kalam eigenschap heeft Hij al in het oneindige.
– Allâhu Ta`alâ schept krachtens Zijn eigenschap als al-Khaliq (de Schepper). Zijn eigenschap als al- Khaliq heeft Hij al in het oneindige.
Alles wat Allâhu Ta`alâ maakt, doet Hij met Zijn eigen handelen (fi`il). Zijn handelen is een eigenschap die Hij al in het oneindige heeft.
Allâhu Ta`alâ is de Handelende (Fâ`il) en het product van Zijn handeling (maf`ûl) zijn de geschapenen (makhlûq). Maar Allâhu Ta`alâ’s handelen is niet geschapen. Deze eigenschappen heeft Hij al in het oneindige. Ze zijn noch later ontstaan noch geschapen. Een ieder die zegt dat deze eigenschappen, die zowel bij Zijn wezen (dhatiyyah) als bij Zijn werken (fi`liyyah) behoren) geschapen zijn of later ontstaan zijn of aan (deze waarheden) twijfelt of onzeker daarover is, met betrekking tot deze twee punten, is een ongelovige (kâfir) aan Allâhu Ta`alâ.

3) DE QUR`AN IS HET WOORD VAN ALLAHU TA`ALA.

De Qur’ân al Karim is het Woord van Allâhu Ta`alâ, het is geschreven in boeken (musâhaf , e.v. mushaf), het is bewaard in het geheugen (van mensen), het wordt gereciteerd met de tong, en het is geopenbaard aan de Profeet (sas). Onze uitspraak, op schriftstelling en recitatie van de Qur’ân is geschapen (makhlûq), terwijl de Qur’ân zelf niet geschapen (ghayri makhluq) is. Alles wat Allâhu Ta`alâ vermeldt en zegt in de Qur’ân over de geschiedenis van Mûsâ (as) en andere Profeten (as) ,over de farao (fir`awn) en de satan (iblîs) is het Woord van Allâhu Ta`alâ.
Allâhu Ta`alâ’s Woord is ongeschapen, maar het woord van Mûsâ (as) en van de anderen zijn geschapenen. De Qur’ân is het Woord van Allâhu Ta`alâ al vanaf de oneindigheid (qadîm), dit geldt niet voor (het woord van) hen (die geschapenen zijn). Mûsâ (as) heeft het Woord van Allâhu Ta`alâ gehoord, zoals het in de Qur’ân staat: “… en Allah sprak met Musa…” (Qur’ân 4/162). Allâhu Ta`alâ heeft de eigenschap van spreken al voor Hij met Mûsâ (as) sprak, want Allâhu Ta`alâ schiep vanaf de oneindigheid voor Hij de schepselen schiep. Toen Hij met Mûsâ (as) sprak, sprak Hij met Zijn Woord, dat één van Zijn oneindige eigenschappen is.
Al Zijn eigenschappen verschillen van die van de geschapenen.
– Hij weet, maar het gelijkt niet op onze kennis.
– Hij is machtig, maar het gelijkt niet op onze kracht.
– Hij ziet, maar het gelijkt niet op ons zien.
– Hij hoort, maar het gelijkt niet op ons horen.
– Hij spreekt, maar het gelijkt niet op ons spreken
Wij spreken d.m.v. (lucht), organen en letters, maar Allâhu Ta`alâ spreekt zonder werktuigen en letters. Letters zijn geschapen, maar het spreken van Allâhu Ta`alâ is ongeschapen.
Allâhu Ta`alâ is “shay” (“ding”) (zie Qur’ân 6/19), niet zoals andere dingen (in de zin van positief bestaan); de betekenis van Zijn “shay” zijn is:
– Hij is zonder “djism” (lichaam)
– Hij is zonder “djawhar” (substantie)
– Hij is zonder ” `arad” (accidens)
– Hij heeft noch “hadda” (limiet), noch “didda” (tegenhanger), noch “nidda” (deelgenoot) en noch “mithl” (gelijke).

4) EIGENSCHAPPEN VAN ALLAHU TA`ALA ZONDER NAAR HET HOE (BILA KAYFIYYAH) TE VRAGEN.

Zoals Allâhu Ta`alâ in de Qur’ân vermeldt, heeft Hij (o.a.):
– yadd (“een hand”)
– wadjh (“een gezicht”)
– en nafs (“een ziel”)
En wat Allâhu Ta`alâ in de Qur’ân zegt betreffende Zijn yadd, Zijn wadjh en nafs; dit alles behoort tot Zijn eigenschappen zonder naar het hoe te vragen (bilâ kayfiyyah) (m.a.w. het is niet toegestaan naar enig uitleg te vragen of uitleg te geven). Men kan niet zeggen dat Zijn yadd gelijk staat aan Zijn qudrah (macht), of Zijn ni`mah (weldaad), want dit zou kunnen leiden tot het teniet doen van Zijn (yadd) eigenschap. Alleen degenen die tot de Qadariyyah en Mu`tazillah school behoren, zeggen zo iets. Daarentegen is Zijn yadd (één van) Zijn eigenschappen, zonder dat we weten hoe. Hetzelfde geldt ook voor twee van Zijn (andere) eigenschappen: Zijn ghadab (wraak) en Zijn ridâ’ (welbehagen), het zijn twee van Zijn eigenschappen, zonder dat we weten hoe.
Allâhu Ta`alâ heeft de dingen niet van al-bestaande dingen geschapen. Allâhu Ta`alâ heeft kennis over dingen voor ze bestonden, al in de oneindigheid.
Hij heeft ze zo voorbeschikt (qadar) en besloten (qadâ’) dat niets kan gebeuren, zowel hier op aarde (dunyâ) als in het hiernamaals (âkhirat), behalve door:
– Zijn mashîah (wil)
– Zijn `ilm (kennis)
– Zijn qadâ’ (raadsbesluit)
– Zijn qadar (voorbeschikking)
– en het geschrevene op Lawh’i mahfud (tabel waar al het voorbeschikte is opgeschreven).
Zijn schrijven is van van beschrijvende karakter en niet van een bevelende karakter. Qadâ’, qadar en mashîah zijn Zijn oneindige eigenschappen, zonder naar het hoe vragen. Allâhu Ta`alâ weet de nog niet bestaande dingen al in hun staat van niet-bestaan, als niet-zijn; en Hij weet hoe ze zullen zijn (nadat Hij ze heeft geschapen). Hij weet de bestaande dingen in de staat van hun zijn en Hij weet ook hoe ze zullen zijn als ze in niets opgaan. Allâhu Ta`alâ weet het opstaan (van een persoon..etc) in de staat van zijn opstaan. Hij weet het zitten in de staat van zijn zitten. (De kennis van Allâhu Ta`alâ over de toestands positie van dingen) verandert Zijn kennis niet en voegt ook niets daaraan toe. Maar deze verandering en verschil treedt wel op bij de geschapenen.

5) ÎMAN (GELOOF) EN KUFR (ONGELOOF) ZIJN DE VERDIENSTEN VAN DE MENS ZELF.
Allâh heeft ieder schepsel vrij van îmân en kufr geschapen. Vervolgens heeft Allâhu Ta’ala zich gericht tot hen en hen Zijn geboden (amr) en verboden (nahy) bekend gemaakt. Iemand die dit niet geaccepteerd heeft, is door zijn eigen daad en verloochening én doordat Allâh Zijn hulp van hem heeft onthouden een kâfir (ongelovige) geworden. Iemand die dit wel geaccepteerd heeft, heeft door zijn eigen werken (fi’il), bevestiging (tasdîq) en betuiging (iqrâr) (van Allâhu Ta’alâ) en met Allâhu Ta’ala’s leiding en hulp, îmân gedaan.

6) AHDU MITHAQ (VERBOND).

Allâhu Ta`alâ nam uit de lendenen van Adam u zijn nageslacht en begiftigde hen met intellect. Hij richtte zich tot hen en beval hen îmân te doen en verbood hen van ongeloof (kufr). Daarop hebben zij Zijn heerschappij (Rabb) betuigd en deze (betuiging) werd hun îmân. (En het is vanwege deze reden dat) ze geboren worden met deze îmân als zijnde een natuurlijke godsdienst (=Islâm) (fitrah). Degene die hierna (nl. na zijn adolescentie) een kâfir wordt, is van deze fitrah afgedwaald en (zijn verbond met Allâhu Ta`alâ) veranderd. En degene die hierna nog steeds gelooft en betuigt (in Allâhu Ta`alâ eenheid), is aan deze fitrah (en verbond) trouw en standvastig gebleven. Allâhu Ta`alâ heeft geen van Zijn schepselen gedwongen tot îmân of kufr. En Hij heeft ze ook niet als gelovige (mu’min) of als kâfir (ongelovige) geschapen. Allâhu Ta`alâ weet een ieder die in kufr verkeert als een kâfir in de staat van zijn kufr. En als Hij daarna tot îmân komt, weet Allâhu Ta`alâ hem als een mu’min, in de staat van zijn îmân. Hij houdt van hem, zonder dat er verandering optreedt in Zijn kennis of Zijn eigenschap (vanwege het feit dat de dienaar eerst een kâfir was en daarna een mu’min.)

7) EEN DIENAAR IS NIET DE SCHEPPER VAN ZIJN EIGEN DADEN.
Alle handelingen van een dienaar, zowel in bewegingstoestand als in rusttoestand, zijn waarlijk door hun zelf verworven (kasb), maar Allâhu Ta`alâ is de Schepper (al-Khaliq) ervan. (De schepping van de handelingen) geschiedt met:
– Zijn mashîat (wil)
– Zijn `ilm (kennis)
– Zijn qadâ’ (raadsbesluit)
– Zijn qadar (voorbeschikking)
Alle goede verdiensten (at-tâ`at) van een dienaar zijn verplicht (wâdjib) gesteld vanwege Allâhu Ta`alâ ‘s:
– amr (bevel)
– muhabbah (liefde)
– ridâ’ (welbehagen)
– `ilm (kennis)
– mashîat (wil)
– qadâ’ (raadsbesluit)
– en qadar (voorbeschikking)
Alle slechte verdiensten (ma`âsiyyah) van een dienaar gebeuren met Zijn:
– `ilm (kennis)
– qadâ’ (raadsbesluit)
– qadar (voorbeschikking)
– en mashîat (wil)
maar niet vanwege Zijn:
– muhabbah (liefde)
– ridâ’ (welbehagen)
– en amr (bevel)

8)Alle Profeten u zijn vrij van zonde, zowel kleine als grote.

Ze zijn vrij van ongeloof (kufr) en ongepaste daden (qabâih). Ze kunnen echter wel misstappen (zallât) of kleine foutjes (khatâ’a) begaan.

9) DE EIGENSCHAPPEN VAN ONZE PROFEET (sas).

Muhammad (sas) is
– Zijn geliefde (habîb)
– Zijn dienaar (`abd)
– Zijn Gezant (rasûl)
– Zijn uitverkorene (safi)
– en Zijn geselecteerde dienaar (naqi).
Hij heeft nimmer afgoden gediend, noch was hij eniger tijde een polytheïst, zelfs niet voor een seconde van tijd. Hij heeft nooit een grote of een kleine zonde begaan.

10) VOORTREFFELIJKHEID VAN ABU BAKR (ra),`UMAR (ra) `UTHMAN (ra), ‘ALI (ra)

De beste onder de mensen na de Profeten (sas) is Abu Bakr As Siddîq (ra); na hem is `Umar ibn al-Khattâb al-Fâruq (ra); na hem is `Uthmân ibn `Affân thi’l Nurayn (ra); en na hem is `Alî ibn Tâlib al Murtada (ra). Ze zijn Zijn dienaren die aan de waarheid (haqq) vasthielden en met de waarheid handelden. Wij eerbieden en houden van hen allen. Wij gedenken alle sahaba (metgezellen) (ra) van Rasûl’lullâh (sas) met het goede.

11) DE EIGENSCHAPPEN VAN DE AHL’I SUNNAH WAL DJAM`AH.

Geen van de muslims verklaren wij voor een kâfir (ongelovige) ten gevolge van welke zonde die hij ook heeft begaan, (zelfs als het een grote zonde is -zolang hij het niet toegestaan (halâl) vindt deze zonde te begaan). Noch wijzen wij hem uit het veld van de îmân, neen wij noemen hem waarlijk een mu’min (gelovige in de Islamitische monotheïsme). Hij kan een mu’min zijn met slechte gewoontes (fâsiq) maar geen kâfir.
Het is aanbevelenswaardig (sunnah) over de binnenschoenen (met natte handen) te wrijven (bij de kleine wassing (wudû’), i.p.v. de voeten helemaal te wassen.) Het extra salât tijdens de maand ramadân nachten (salât at tarawih) is ook sunnah. Het vijfmaal daags salât achter elke mu’min, of hij goed (birr) danwel slecht (fâdjir) is, is toegestaan.

12) DE GOEDE EN SLECHTE DADEN IN VERHOUDING TOT DE GELOOFSPOSITIE VAN EEN MUSLIM.

Wij zeggen niet dat zonden een muslim geen schade kunnen toebrengen, evenmin zeggen wij dat hij de hel zal binnengaan of dat hij daar voor goed zal blijven, als hij als muslim het aardse leven achter zich heeft gelaten, al is hij een zondaar (fâsiq). En wij zeggen ook niet dat onze goede daden (hasanât) geaccepteerd zijn en onze zondes vergeven zijn, zoals de Murdjieten het beweren. Maar wij zeggen dat als iemand een goede daad heeft verricht, die aan alle condities voldoet, zodat het vrij is van elke schande die het kan doen verspillen; zonder dat die daad ongedaan gemaakt kan worden door afvalligheid (murtad) of ongeloof (kufr) en deze persoon in deze toestand als muslim naar het hiernamaals gaat, dan zal Allâhu Ta`alâ deze daad van Zijn dienaar (insha’Allâh) niet voorbij laten gaan, maar deze accepteren en hem hiervoor belonen.
Wat de persoon betreft die slechte daden begaat -polytheïsme (shirk) en ongeloof (kufr) uitgezonderd- en die geen berouw (tawba) toont, voordat hij sterft als een muslim, is afhankelijk van Allâhu Ta`alâ’s wil. Als Hij wil straft Hij hem in de hel of Hij vergeeft hem zonder bestraffing. Hij bestraft (Zijn muslim dienaren) nimmer voor altijd.
Als welke daad dan ook gemengd wordt met pralerij (riyâ’), wordt zijn beloning daardoor te niet gedaan, eveneens is dit het geval als de daad gemengd wordt met ijdelheid (`udjb).

13) AYAT (TEKENEN VAN DE PROFETEN) EN KARAMAT (WONDEREN VAN DE HEILIGEN).

De tekenen (âyât) van de Profeten (as) en de wonderen (karamât) van de heiligen (awliyâ’) berusten op waarheid en zijn werkelijkheid (haqq). De berichten (Qur’ân en ahadîth) die overgeleverd zijn over de bovennatuurlijke zaken, verricht zijn of verricht zullen worden door de vijanden van Allâhu Ta`alâ (iblîs, farao en dadjdjâl:anti-christ), noemen wij noch âyât noch karamât, maar wij noemen ze de vervulling van hun behoeftes. Allâhu Ta`alâ vervult de behoeftes van Zijn vijanden in de vorm van “istidrâdj” (iemand overreden tot dwaling en onheil) om Zijn weldaden hier op aarde op hen te vergroten en (in het hiernamaals) hen te straffen, zodat ze daardoor misleid worden en hun ongeloof en hun opstand tegen Allâhu Ta`alâ (tughyân) toe zal nemen. Allâhu Ta`alâ is de Schepper (al-Khâliq) vóór Hij schiep en de Onderhouder (ar-Razzâq) vóór Hij onderhield.

14) HET ZIEN VAN ALLAHU TA`ALA.

Allâhu Ta`alâ zal in het hiernamaals gezien worden. De mu’mins zullen Hem in het paradijs (djannah) zien met hun ogen, zonder vergelijking met iets (bilâ tathbîh) en zonder hoe (bilâ kayfiyyah). Er zal geen afstand zijn tussen Hem en Zijn schepselen.

15) IMAN IS IQRAR EN TASTIQ.
Het geloof (îmân) omvat betuiging met de tong en bevestiging met het hart (tastîq).

16) IMAN NEEMT NOCH TOE NOCH AF.
Het îmân van de bewoners van de hemel en de aarde neemt noch toe noch af wat betreft de zaken waarin geloofd moet worden (m.a.w. het îmân neemt kwantitatief niet toe of af). Maar het îmân neemt toe en af wat betreft de subjectieve zekerheden (yaqîn) en het bevestigen met het hart (tastîq) (m.a.w. tastîq in graden van sterkte: het îmân neemt kwalitatief toe en af). De mu’mins zijn gelijk in îmân en in tawhîd, maar ze verschillen in de verrichtte daden (`amal).

17) WAT IS ISLAM.
Islâm betekent zich absoluut overgeven en nederige gehoorzaamheid aan Allâhu Ta`alâ’s bevelen. Taalkundig gezien is er een verschil tussen Islâm en îmân. Er kan geen îmân zijn zonder Islam en er kan geen Islam zijn zonder îmân. De twee begrippen zijn zoals binnen- als buitenkant van iets. Dîn (godsdienst) is de naam voor îmân, Islam en alle godsdienstige wetten (Shari`ah).

18) WAT BETEKENT YAQIN EN MA`RIFAT.

Wij kennen Allâhu Ta`alâ met adequate kennis (ma`rifat) zoals Hij zich zelf met al Zijn eigenschappen in Zijn Boek (Qur’ân) beschrijft. Niemand is in staat Allâhu Ta`alâ oprecht met adequate dienst (`idâdah) te aanbidden, zoals Hij behoort aanbeden te worden. Maar een mens kan Hem alleen dienen door Zijn bevelen te volgen, zoals Hij ze bevolen heeft in Zijn Boek en in de sunnah van Zijn Gezant (Rasûl) (sas). Alle mu’mims zijn aan elkaar gelijk in:
– kennis (ma`rifat)
– subjectieve waarheid (yaqîn)
– vertrouwen (in Allâhu Ta`alâ) (tawakkul)
– liefde (voor Allâhu Ta`alâ) (muhabbat)
– tevredenheid (met Allâhu Ta`alâ) (ridâ’)
– angst (voor Allâhu Ta`alâ) (khawf)
– hoop (in Allâhu Ta`alâ) (ridjâ’)
– en het geloven in al deze (en andere) dingen.
Ze verschillen in alle zaken die niet aan de îmân gebonden zijn.
Allâhu Ta`alâ stort Zijn weldaden op Zijn dienaren en Hij treedt ook rechtvaardig (`adl) tegen hen op. Soms beloont Hij hen meer dan ze aan goede verdiensten (sawâb) hebben. Soms straft Hij hen vanwege hun zondes door Zijn rechtvaardigheid. En soms vergeeft Hij hen door Zijn gratie (fadl).

19) DE VOORSPRAAK (SHAFA`AH) VAN DE PROFETEN (as).

De voorspraak van de Profeten (as) (op de Dag des Oordeels) berust op waarheid. De voorspraak van onze Profeet (sas) aan de mu’mins, die hebben gezondigd en zelfs diegenen die grote zonden (kabâir) hebben begaan en daardoor straf hebben verdiend, is een vaststaand feit.

20) HET WEGEN VAN DE DADEN (WAZANA’L A`MAL).

Het wegen van de daden met de “weegschaal” (mizân) op de Dag des Oordeels (yawni’l qiyâmah) berust op waarheid. De basin (hawd) van onze Profeet (sas) berust ook op waarheid. Vergelding en verrekening tussen (mensen die hier op aarde) vijandig waren, zal op de Dag des Oordeels geschieden, d.m.v. het geven van de goede verdiensten (hasanât) van de schuldige persoon aan de rechthebbende persoon berust ook op waarheid. Als de schuldige persoon geen hasanât heeft zullen de slechte verdiensten (sayyiât) van de rechthebbende persoon aan de schuldige gegeven worden, dit berust op waarheid en is rechtmatig.

21) BUITEN ALLAHU TA`ALA IS ALLES VERGANKELIJK.

Het paradijs (djannah) en het vuur (nâr) zijn geschapen en ze zijn op dit moment al bestaande. Ze zullen nooit ophouden met het bestaan. De zwart ogige vrouwen (hûr’l `ayn) (in djannah) zullen nooit sterven. Allâhu Ta`alâ ’s straf (`iqâb) en Zijn beloning (sawâb) zullen nooit eindigen. Vanwege Allâhu Ta`alâ’s gratie (fadl) leidt Hij degene die Hij wil tot verlossing (hidâyah), vanwege Zijn rechtvaardigheid (`adl) voert Hij degene die Hij wil tot dwaling (dalâlah). Zijn voering tot dwaling betekent “khizlâl”. De betekenis van het woord khizlân is: Hij onthoudt Zijn goedheid en Zijn genade van een dienaar en Hij helpt hem niet bij het volbrengen goede daden waarvan Hij tevreden is. Dit is vanwege Zijn rechtvaardigheid. En dit is ook het geval met Zijn bestraffing van degenen die overgelaten zijn aan zichzelf vanwege hun zondes.

22) DE SATAN KAN DE IMAN NIET MET GEWELD BEROVEN.

Het is niet toegestaan te zeggen dat de satan (shayân) de îmân van een mu’min met geweld kan beroven. Maar we kunnen wel zeggen dat men afstand doet van zijn îmân en dat de satan het van hem daarna berooft.

23) DE ONDERVRAGING VAN “MUNKAR” EN NAKIR) ENGELEN.

De ondervraging van de overledene in het graf door de engelen Munkar en nakir, de hereniging van het lichaam met de geest (rûh) zal werkelijk plaatsvinden en het berust op waarheid. Het samendrukken (van het lichaam) en de bestraffing in het graf van ongelovigen en sommige zondaren onder de muslims (`asâti’l mu’minîn) zal ook werkelijk plaatsvinden en het berust ook op waarheid.

24) “DICHTBIJHEID” VAN DE DIENAREN AAN ALLAHU TA`ALA.

Het is toegestaan de geleerden (`ulamâ’) te volgen als zij, de eigenschappen van Allâhu Ta`alâ in het Persisch (of ander niet-arabisch taal) zeggen, behalve in het geval van (antroposofische) eigenschap yadd (“hand”). Het is wel toegestaan “biruyi qudâ” (Allâhu Ta`alâ ’s wadjh (“gezicht”) in Perzisch) te zeggen, zonder vergelijking met iets te maken en naar het hoe te vragen. Allâhu Ta`alâ ’s “dichtbijheid” en “verafheid” is niet in de zin van een kortere of langere afstand, maar in de zin van respect en gelukzaligheid (karâmah) en veronachtzaamheid (hawân). De gehoorzame dienaar (aan Allâhu Ta`alâ) is, zonder naar hoe te vragen, “dicht bij Hem” en de ongehoorzame dienaar (aan Allâhu Ta`alâ) is, ook zonder naar hoe te vragen, “ver van Hem af”. Dichtbijheid, afstand en benadering van Allâhu Ta`alâ zijn van toepassing op de mens in zijn innerlijke relatie tot Allâhu Ta`alâ. Zo is het ook met Allâhu Ta`alâ ’s nabijheid in het paradijs als zijnde een buur van Allâhu Ta`alâ en met de nabijheid van iemand als zijnde voor Allâhu Ta`alâ staan.

25) WAT IN HET BOEK STAAT IS HET WOORD VAN ALLAHU TA`ALA.

De Qur’ân al Karîm (Nobel) is aan Rasûl’lullâh (sas) (stukje voor stukje) geopenbaard en (later) in boekvorm geschreven. Daar de verzen (âyât) van de Qur’ân Allâhu Ta`alâ’s Woord zijn, zijn ze gelijk aan elkaar in voortreffelijkheid en grootheid. Sommige hoofdstukken (sûra’s) en verzen (âyât) zijn echter verdienstelijker dan anderen, vanwege hun recitatie en inhoud, dit is o.a. het geval met “ayat’l kursi” (2/256). In deze âyah wordt gesproken over Allâhu Ta`alâ’s majesteit (djalâl), grootheid (`adîm) en eigenschappen (sifât). In deze âyah zijn dus de voortreffelijkheid van recitatie en inhoud samen verenigd. En andere âyât bezitten alleen de voortreffelijkheid van recitatie, zoals de beschrijving van de kâfirs. Degenen die in deze âyât genoemd worden, nl. de kâfirs, zijn niet voortreffelijk. Allâhu Ta`alâ ’s namen en eigenschappen zijn gelijk aan elkaar in grootheid en voortreffelijkheid zonder enig verschil.

26) DE DOOD VAN RASUL’LULLAH’S (sas) OUDERS.

De ouders van Rasûl’lullâh (sas) stierven zonder de ware godsdienst (Islam) te hebben gekend. Rasûl’lullâh’s (sas) oom, de vader van `Ali (sas) is als kâfir gestorven.

27) RASUL’LULLAH’S (sas) KINDEREN.

Qâsim (ra), Tâhir (ra) en Ibrâhîm (ra) waren de zonen van Rasûl’lullâh (sas) ; Fâtima (raha), Ruqiyyah (raha), Zaynab (raha) en Umm’l Qulsum (raha) waren de dochters van Rasûl’lullâh (sas).
28) `ILM’I TAWHID.

Als iemand onzeker is van welke subtiele zaak dan ook betreffende `ilm’i tawhîd (wetenschap van de geloofsprincipes van de Islam), dan is het zijn taak, voorlopig als volgt te zeggen: “Ik geloof in de waarheid over dit onderwerp die bij Allâhu Ta`alâ is”, tot hij een geleerde vindt. Hij moet hem dan hier omtrent raadplegen. Hij mag de vraag niet uitstellen en er is geen excuus voor hem als hij in zijn twijfel zou volhouden, neen, hij zou de schade van ongeloof op zich nemen.

29) DE MIRADJ (DE HEMELREIS).

Het bericht (ahadîth) over Miradj (Nachtreis) berust op waarheid. Degene die dit niet accepteert is een dwalende (nieuwlichter).

30) DE TEKENEN VAN HET URE.

De verschijning van Dadjdjâl (Anti-Christ), Ya`djûdj (Gog) en Ma`djûdj (Magog), opkomst van de zon vanuit het westen, nederdaling van `Isa (as) uit de hemel en andere (grote) tekenen van de Dag des Oordeels, die ons via betrouwbare berichten hebben bereikt berust op waarheid.

Allâhu Ta`alâ leidt degene die Hij wil op het rechte pad (sirâtim mustaqîm).

Read Full Post »